Mark van Bommel: ’s werelds grootste voetbaler

Geen mens ter wereld kan zo goed balen als Mark van Bommel. Zoals u weet staat het Nederlandse voetbal van oudsher bekend als het gaat om balers van internationale allure.

En zoals al het mooie op deze wereld is ook deze overdaad te danken aan Louis van Gaal, die midden jaren negentig niet alleen van beroepsfronsers Frank en Ronald de Boer wereldsterren kleide, maar ook een plekje inruimde voor zuurkijkers als Overmars, Litmanen, Bogarde en Davids. Jaap Stam – nog zo’n prima baler: niemand kon zo dreigend uit zijn onder het afdak van zijn voorhoofd liggende ogen kijken na een nederlaag als de Tank van Kampen. Baalde Jaap in de nabeschouwing al stevig, dan ging zijn vrouw thuis alvast achter de bank liggen met een helm op en haar kogelvrije Vuitton-jurk aan, in de hoop dat deze baalperiode niet – zoals de vorige keer – zou leiden tot het met de grond gelijk maken van hun woning.

22 is behoorlijk, maar 23 is lekkerder?
Nee, dat balen, dat kun je wel aan ons Nederlanders overlaten. Je kunt gerust spreken van een Hollandsche Baalschool. Ga op een vrije woensdagmiddag maar eens kijken bij de jeugdopleiding van de profclub bij u in de buurt: stuurse koppen, balende gezichtjes en verongelijkte smoelwerken zo ver het oog reikt. Wie de top wil halen, moet leren balen. Aan flierefluiters, irritant opgewekte kwasten en optimisten die de zon graag in het water zien schijnen heb je niks, in de top. Balen moeten ze, allemaal. Onversneden chagrijn als topsportmentaliteit aan de man gebracht.

Mark van Bommel is vermoedelijk ’s werelds grootste voetbaler. Alles aan Marks balen is van een schoonheid waar je bijna blij van zou worden als het niet zo’n ergerlijk gezicht was. Ten eerste neemt Mark er de tijd voor. Zijn stem daalt enkele octaven. Zijn lippen vormen samen het soort kringeltje dat Word onder een verkeerd gespeld woord plaatst. En er zijn de zinnen, de antwoorden op vragen die het intellectuele kanon Jan Joost van Gangelen op hem afvuurt als clusterbommen van zwakzinnigheid (‘Ik had Prijs 23 graag meegenomen.’ ‘Ja, want 22 is behoorlijk wat, maar 23 is lekkerder?’) die uit zijn mond ontsnappen als zuchtjes lucht uit een tweedehands blaasbalg.

Maar het mooist aan de voetbaler Mark van Bommel zijn de wenkbrauwen, die bij ernstige tegenslag plots schuin omhoog wijzen, naar een centraal punt op zijn hoofd waar zich een verontrustende rimpel heeft gevormd. Hier, zeggen die wenkbrauwen, hier zit mijn pijn. Dit is mijn verdriet. Hoor mij aan!
Ik baal.

Jouw vrouw, Andy van der Meydes vrouw
Nadat ik weer met volle teugen genoten had van de voetbaler Van Bommel, die lang gelijke tred hield met de voetballer, maar die inmiddels ruim voorbij is gestreefd, switchte ik van zender. Van SBS naar RTL.
Van de gietende regen in de drup.

Daar lag Andy van der Meyde op een bank. Het programma heette ‘Jouw vrouw, mijn vrouw’. Andy’s vollemaansgezicht glom als een zojuist geglazuurde bolus. Hij had zijn vrouw – een voormalig Playboymodel dat Melissa heet – voor een paar dagen geruild met Judith Osborn, een keurig afgewerkte voorgevel met een gezellige mevrouw eraan.
Er was een cameraploeg op afgestuurd, om het aloude ‘van ruilen komt huilen’-principe aan de werkelijkheid te toetsen.
Maar Andy huilde niet. Hij leek niet eens te balen. Hij grijnsde maar, als iemand die heeft geleerd dat er met grijnzen geld te verdienen valt.

Ik zag Andy van der Meyde, ooit een behoorlijke voetballer, en ik dacht aan Mark van Bommel: om echt een goede voetballer te zijn, moet je tenminste een beetje kunnen voetbalen.