Ik houd van Robert Gesink

1. Daar rijdt hij, Robert Gesink. De slotklim is zojuist begonnen.

‘Nu gaat het beginnen, Renaat.’
Waarom weet ik niet, maar wanneer ik Robert Gesink ergens zie rijden, word ik altijd bevangen door een gevoel dat zich het best als ‘mededogen’ laat omschrijven. Het is hetzelfde gevoel dat ik krijg wanneer ik 14-jarige turnstertjes uit Wit-Rusland zeven vreugdeloze flikflaks zie maken om vervolgens met hun blote voeten perfect recht op zo’n beschimmelde sportzaalmat neer te komen, waarna ze bij wijze van orgelpunt hun armen spreiden en hun meest plastic glimlach glimlachen.

Het hoeft niet, denk ik dan, tot ik zo’n in het vak vergrijsde turnbeul met z’n armen over elkaar met z’n hoofd zie schudden en weet: het hoeft wel.
Ik denk aan Robert Gesink en fantaseer op de top van de berg, meteen na de finish, een man met duistere ogen en een verwassen, Pools trainingspak. Ik zie de renner uitgeput over de streep rollen en een hoopvolle blik werpen in de richting van zijn trainer. Die schudt onverbiddelijk zijn hoofd.

2. Daar rijdt hij, Robert Gesink, steeds een plekje verder weg zakkend in de kopgroep. Hij staat derde in het klassement. Nu nog wel.
‘Straks komen de steile stroken pas, Jose.’
Amechtig. Het heeft iets onmiskenbaar amechtigs, dat klimmen van hem. Als er al esthetisch verantwoorde klimmers zouden bestaan, dan hoort Robert Gesink daar niet bij. Zijn bovenlijf is te lang en te smal, het wiegt te onritmisch, het is het schokschouderen van iemand die aan een stuk door geen idee heeft.

Amechtig. Wat een fijn woord is dat toch. Amechtigamechtigamechtig. Het doet vermoeden dat er ook zoiets bestaat als mechtig. “Contador reed weer allemachtig mechtig vandaag, Mart.” “Dat kun je wel zeggen Maarten, het was weer een genot om naar te kijken.” Zullen ze nooit over Gesink zeggen, mechtig.
Weer verliest hij een plekje aan een onbetekenende Italiaan in een kauwgomballentenue. Het schokschouderen wordt een geluidloze hoestbui.

3. Daar rijdt hij, Robert Gesink. Hij verheft zich uit het zadel met de gratie van een mol op stilettohakken.
‘Hier begint het steile gedeelte, Renaat. Twintig procent.’
Met lange halen gaat een Varssevelds lijf van links naar rechts. Een palmboompje in de storm. Ware Michel Wuyts hier aanwezig geweest, hij zou de volgende zin hebben uitgesproken: ‘Gesink. Amai, die is aan de zwadder.’
Waarom doet een mens dit zichzelf aan? Is het zelfhaat? Geldzucht? Of de diepgevoelde behoefte anderen gelukkig te maken?

Zonder Gesink zouden de Nederlanders intussen alweer op het derde uitslagenblad verzeild geraakt zijn. Kruijswijk is al vroeg gelost en ook de veelbelovende Kelderman hebben we zojuist live rochelend zien afhaken.
Zonder Robert Gesink stellen wij niets voor. En misschien is dat andersom ook wel zo.

4. Daar rijdt hij, Robert Gesink. Tussensprintje.
‘Daar rijdt Gesink. Het gaat te snel.’
Het is niet slechts omdat Gesink op het moment supreme vaak niet kan volgen dat het bijna fysiek pijn doet om naar hem te kijken. Ook als hij vooruit rijdt, als hij glorieus soleert naar een prachtige zege, zoals vorig jaar in de Ronde van Californië, is het om eerlijk te zijn geen gezicht. Gesink en zijn fiets is als een moeder die haar zoontje naar de kapper probeert te sleuren. De een wil, de ander moet. De tegenstand bestaat niet alleen uit zoiets onnozels als de zwaartekracht, maar uit een onwil van de fiets om mee te werken.
Dit is wat men in het jargon wel ‘harken’ noemt. De hersenen van Robert Gesink komen zo meteen via zijn oren uit de oven die zijn hoofd is. Te serveren met peper en zout en lauwwarm opdienen als antipasti.
Och, man toch. Zoveel overgave.

5. Daar rijdt hij niet meer, Robert Gesink.
Overal op de berg vlekjes die renners voorstellen, als vogels op het schilderij van een blauwe lucht. Hij is er niet meer bij.
‘Santambrogio, Scarponi, Wiggins, Niemiec, Pellizotti; allemaal gelost.’
Zijn naam wordt niet meer genoemd, zelfs niet wanneer men bezig is de losers op te sommen.
Twintig minuten later zal Robert Gesink de streep passeren. Als op hol geslagen blaasbalgen pompen zijn longen de zuurstof door het uitgeputte twijgje van een lichaam.

Hij heeft alles gegeven.
Hij heeft meer dan alles gegeven. Het was niet genoeg. Veertiende.
Verloren, maar nog niet verslagen.
Het is geen wielrenner om zomaar halsoverkop verliefd op te worden, Robert Gesink. Maar vroeg of laat ga je onherroepelijk en diep gemeend van hem houden. Ik tenminste wel.