Renaat, José en André: het onbetwiste koningstrio van de Giro

Je kunt er lang of kort over praten, maar waar het op neerkomt is dit: Renaat Schotte en José de Cauwer zijn met afstand het meest amusante ongetrouwde getrouwde stel ter wereld.

In hun commentaar deze Giro slaat de ongemakkelijkheidsmeter iedere dag wel weer een paar keer rood uit. José en Renaat… Ze doen denken aan de vitterige Hyacinth en de slaafse Richard Bucket uit ‘Keeping up Appearances’ of aan Desire Cordier en Moniek de Petter uit Dimitri Verhulsts De Laatkomer. Hun dialogen lijken geschreven, geregisseerd en uitgesproken door Ricky Gervais, keizer van het sociale ongemak.

Uren zit ik voor de televisie en staar naar Giro-etappes die maar niet op gang lijken te willen komen, dagen van mijn leven verdwijnen reddeloos in de shredder van de verloren tijd, in de hoop dat Jose en Renaat het weer eens ouderwets laten knetteren, als een echtpaar waarvan de man na veertig jaar werken plotseling de hele dag thuis is komen te zitten. Iedere dag vangen ze met hernieuwd optimisme aan, maar – hoe gaat dat in een langjarig huwelijk – ze hebben elkaars verhalen al te vaak gehoord.

Droge worst
Het kan soms lang duren, zo’n Giro. Vaak is het ritten achtereen uiterst gemoedelijk in het Sporza-commentaarhokje. Renaat babbelt wat over de omgeving, José herhaalt een paar vragen en André Meganck zit onder de tafel met een stopwatch en een reusachtig blocnote. Er staat thee op tafel, thee en cantuccini, en tegen de tijd dat de finale begint, trekt José een fles streekwijn uit de duurdere prijsklasse uit zijn rugzak, pakt Renaat een snijplank en een zojuist in een geinig delicatessenzaakje op nauwelijks honderd meter van de streep aangeschafte lokale droge worst en haalt André een komkommer uit de binnenzak van zijn colbert. Als je goed luistert, hoor je een zacht geknabbel en het spinnen van drie tevreden mannen die concluderen dat het leven goed is.
Tot, onvermijdelijk, het moment komt. Het moment dat de echtgenoten elkaar niets meer te vertellen hebben.

Burggraaf Carpani
‘Om u even wat over de omgeving te vertellen: hier stond in de vijftiende eeuw een burcht van de Italiaanse burggraaf Carpani, van wie het verhaal gaat dat hij veertien keer trouwde, waarvan zes keer met dezelfde vrouw. Die vrouw liet hij vervolgens ombrengen omdat zij de soep had laten aanbranden en de burggraaf begroef haar midden op het dorpsplein van het dorp waar we zojuist doorheen kwamen, het schilderachtige Santa Anna di Campello della Carpania. Op de plek van het graf van de zesvoudige mevrouw Carpani staat nu een fontein in de vorm van de bek van een wilde hond. En nu gaat het verhaal, José, dat wanneer je je hoofd in die muil steekt, de vrouw van graaf Carpani je hoofd afbijt. Zou je dat niet eens willen proberen, Jose?’

‘Zou ik dat niet eens willen proberen. Ach, waarom nie?’
‘Wij logeerden gisteravond in Santa Anna di Campello della Carpania en we aten op het dorpsplein in een restaurant en de eigenaar van dat restaurant is een directe afstammeling van Graaf Carpani. En toen hij hoorde dat wij hier voor de Giro waren, bleek hij ook nog een neef te zijn van Bruno Cavoltelli, die in de jaren tachtig twee jaar lang voor de Vlaamse ploeg ‘Konijnenvoeder – Taverne Dejonghe’ heeft gereden.’

‘Konijnenvoeder – Taverne Dejonghe.’
‘Waar jij nog ploegleider bent geweest.’
‘Waar ik inderdaad nog ploegleider ben geweest.’
‘Kun je je Bruno Cavoltelli nog herinneren?’
‘Kan ik mij Bruno Cavoletlli nog herinneren? Dat weet ik eerlijk gezegd niet meer. Ik weet nog wel dat wij met De Konijnenploeg een keer in Zuid-Spanje waren om daar deel te nemen aan de Vuelta die Clasico die Huerta y Puerto en dat er toen een Italiaanse renner van onze ploeg zijn voorwiel glad was vergeten en toen de hele koers – vijf dagen lang – een wheelie heeft moeten maken. Maar volgens mij was dat niet Bruno Cavoltelli, ik geloof dat die jongen Maurizio Panasco heette.’

‘Is dat dezelfde Maurizio Panasco die later trouwde met de dochter van Julien Dejonckheere en in Paal een bedrijf in designdouchekoppen opzette?’
‘Dat is dezelfde Maurizio Panasco die later trouwde met de dochter van Julien Dejonkheere en in Paal een bedrijf in designdouchekoppen opzette. Maar dat bedrijf in designdouchekoppen heeft hij inmiddels verkocht aan Patrick Vandecaveye.’

‘Doet hij nog iets met sanitair, dat je weet?’
‘Doet hij nog iets met sanitair. Behalve naar de wc gaan niet, geloof ik. Hij traint nu zijn zoontje, die bij Racing Paal bij de miniemen voetbalt.’
‘Davy Panasco.’
‘Davy Panasco.’
‘Een goede voetballer, José?’
‘Ik ken niet veel van voetbal, Renaat.’
‘Wees niet te bescheiden, José.’
‘Ben ik niet te bescheiden: ik ken meer van koers.’
‘Over de koers gesproken: hoe is het met de wind?’
‘Die blaast in de rug.’
‘Straks maken ze een bocht.’
‘Dan blaast hij niet meer in de rug.’
‘Dan blaast hij niet meer in de rug.’
‘We kijken nog altijd naar de leiders, Pippo Canatti en Jean Ravage.’
‘Niet van de minsten.’
‘Kun jij iets vertellen over Pippo Canatti, José?’
‘Kan ik iets vertellen over Pippo Canatti. Neen.’
‘Over Jean Ravage dan?’
‘Het lijkt me een rampzalige renner.’
‘Echt?’
‘Nee.’
‘Hoe lang nog tot de finish? Nog maar negentig kilometer.’
’88,5.’
‘We ronden af op negentig.’
‘Maar het is 88,5.’
‘Twee uur koers nog.’
‘Ruim twee uur.’
‘Twee uur.. (…) Ongeveer.’
‘Ongeveer twee uur nog.’
‘Lang.’
‘Heel lang.’

Droge worst
Op het scherm rijden twee onbekende renners door een biljartvlakke Italiaanse rivierdelta. De commentatoren zwijgen. Het is een bedrukte stilte.
Het aantal nog te rijden kilometers tikt veel te langzaam terug. Het enige geluid dat nog te horen is, is het opgewonden gepraat van hun buurmannen. En voor wie heel goed luistert: het geluid van André Meganck die traag een plakje droge worst vermaalt.