Top-3 ontroerende stoppers: Bommel, Becks en Bassie

In het vierde, voetbalseizoensafsluitende deel van ‘Top-3’s om in de gaten te houden’ aandacht voor het verval der dingen: zij die ermee kappen.

Ieder toernooiloos jaar, als alle bekerfinales, play-offpotjes en stomende nacompetitieknallers zijn gespeeld en de zomer zich als een rimpelloze oceaan voor de voetballiefhebber uitstrekt, sijpelen de berichten van de stoppers door.

Stoppende voetballers doen me denken aan bloemen die te lang in een vaas hebben gestaan: de glans is eraf, het verval der dingen wordt plots in al zijn droefenis zichtbaar. Je bedenkt hoe je de speler, die daar nu in een aangenaam meizonnetje met een klef bosje verlepte tulpen een vernederende ereronde loopt voor tribunes die leeglopen als een badkuip waar iemand de stop uitgetrokken heeft, nog hebt zien debuteren toen hij nog jong en onbezonnen was – en jijzelf trouwens ook.

Voorafschaduwing van de dood
Wie ook maar enige aanleg voor zwartgalligheid bezit, ziet in iedere stoppende voetballer een voorafschaduwing van de dood.
Met opstappende trainers heb ik veel minder moeite. Voetbaltrainers nemen geen afscheid met een ererondje, drie zoenen van de vrouw van de voorzitter en een pen met inscriptie (‘BIC’).

Voor een voetbaltrainer zijn er grofweg drie opties op de laatste speeldag van het seizoen:
1. Ze zitten al thuis, ontslagen na een serie nederlagen in een blessureperiode of een onverkwikkelijk incidentje met een sponsor;
2. Ze zijn nog in dienst, maar weten dat ze ieder moment de zak kunnen krijgen omdat het seizoen weliswaar niet heel slecht was, maar de club heeft nu eenmaal ambities en een frisse wind en nieuwe gezichten, je kent het wel;
3. Ze zijn kampioen geworden/hebben onverwacht Europees voetbal gehaald/zijn gepromoveerd en willen nog wel een jaartje gaan genieten van die prestatie.

Uiteindelijk eindigen ze allemaal thuis, op een bank voor een reusachtige plasma-tv die 24 uur per dag voetbal uitzendt. Naast hen ligt een telefoon, klaar om ieder moment rinkelend de interesse van een interessante club aan te kondigen.
Als die telefoon rinkelt, is het een oude bekende, om te vertellen dat hij een nieuwe club heeft.

Voetbaltrainers, wil ik maar zeggen, nemen geen afscheid: zij lossen langzaam op in de vergetelheid. (Uitzonderingen als Alex Ferguson en Foppe de Haan, die wel een afscheidsmiddagje met bloemen en toespraken en weggepinkte traantjes krijgen, nemen in werkelijkheid nooit afscheid. Zij zijn gewend iedere ochtend in de auto te stappen en naar het trainingscomplex te rijden. Dat zullen ze blijven doen, ook na hun afscheid. Deze bemoeizucht noemt men naar buiten toe vergoelijkend ‘een adviserende rol’).

En hier is-ie dan: De Top-3 van ontroerend afscheid nemende stoppers:

Bommel
Op 3: Mark van Bommel. De grootste ontroering bevindt zich in een afscheid in mineur. Nog altijd jezelf niet in de hand, nog altijd tot het randje gaan en er even over, nog steeds die Sittardse jongen die het teambelang boven dat van de persoon stelt. Nog een laatste wegwerpgebaar. Voor de geschiedenis.
En dan, op je laatste training, nog even dit, als bewijs van een talent dat het te vaak aflegde tegen de drang de beste te zijn:

Becks
Op 2: David Beckham. Ik heb me wel eens afgevraagd of er in die dagelijks bijgesnoeide karakterkop van Becks zich wel iets anders bevindt dan een handvol primitieve driften en het vermogen om een bal exact zo met zijn voet te raken zoals hij dat in zijn verbeelding voor zich ziet. Hier het antwoord [red: dat inmiddels door youtube is verwijderd]:

 

Bassie
Voor eeuwig op 1: Marco van Basten. Hij was al lang geen voetballer meer. Een invalide met een roemrucht verleden misschien, een onderdeel van een collectief geheugen, een zoete herinnering. Dat wel. Maar voetballer, nee, dat niet meer.
Daar loopt hij, Marco. Roze bloesje, bruine, suède jas. Jeans. Het haar wat korter, de wangen wat voller. Zestigduizend mannen staan, klappen en vegen af en toe verwoed in hun ogen.
Een korte dribbel, even de armen in de lucht, als iemand die iets gewonnen heeft.
En Capello, de coach met het gezicht van een geagiteerde bouvier, die Capello, die huilt. Hard en ontroostbaar. Om iets wat voorgoed voorbij is. Wat nooit meer terugkomt. Iets waarna iets anders alleen maar minder kan worden.
Fabio Capello huilt om Marco van Basten, maar hij huilt toch vooral om al wat voorbij gaat.