Van Petrarca tot Wagendorp: de Ventoux beklim je om terug te keren

Even een middeleeuwse dichter in een dagelijkse sportcolumn frommelen: Op 26 april 1336 begint Francesco Petrarca aan zijn klim naar de top van de Mont Ventoux. Twintig uur later arriveert hij er. Het is precies 650 jaar voor het begin van het EPO-tijdperk en prestaties zijn nog menselijk.

Er is op die 26e april 1336 nog geen uitzichtpunt, geen Simpson-monument, geen  samentroepende mannen van middelbare leeftijd die het ontegensprekelijke verval te lijf gaan met een trainingsschema van een huisarts, een veel te dure racefiets en een doel: de top halen (eigenlijk bedoelen ze: weer jong worden).
Er is alleen het uitzicht, datgene waarvoor Petrarca de hele onderneming is begonnen: hij wil boven zien hoe het er beneden uitziet.

’s Werelds eerste wielrenner
Petrarca’s beklimming is natuurlijk bovenal zwanger van lyrische zinloosheid: dat van dat uitzicht, dat heeft ie er later in z’n – door J.H. Leopold (ha, nog zo’n typische dagelijkse sportcolumnnaam!) in het Nederlands vertaalde – brieven aan toegevoegd om het geheel nog enig filosofisch verantwoord cachet te geven. Niet voor niets meldt Wikipedia over Petrarca’s tocht naar de top: ‘wordt soms wel beschouwd als begin van het toerisme en soms ook van de bergsport’.

Bergsport, toerisme; zaken die ieder nut ontberen behalve het genot dat de beoefenaar er aan ontleent. Wie een berg beklimt, gaat nergens heen, hoogstens uiteindelijk weer naar beneden. Wie op vakantie gaat, keert vroeg of laat terug naar waar hij begonnen is: thuis. Daarmee is Francesco Petrarca natuurlijk niet alleen de eerste toerist of de eerste bergbeklimmer, maar vooral de eerste wielrenner aller tijden. Eeuwen voordat er sprake is van zoiets als een fiets, heeft hij de ware Tourspirit al te pakken: het grootste genot aan het beklimmen van een berg is de totale nutteloosheid ervan. Petrarca’s collega, de Noord-Europese lyricus Tim Krabbé, zegt hierover in zijn geschriften: wie fietst, fietst ergens heen. Wie fietst op een racefiets, fietst nergens heen.

Ik moest aan Francesco Petrarca denken toen ik gisteravond de vier als kind in een ton vol literair enthousiasme gevallen boekhandelaren van het DWDD-boekenpanel het Boek van de Maand hoorde verkiezen. ‘Winnaar’ was Ventoux, Bert Wagendorps nieuwe roman. Ik vond dat om meer dan een reden leuk: 1) ik ken Bert Wagendorp een beetje en vind hem erg aardig, 2) Ik vind Bert Wagendorp een groot columnist en een even getalenteerd stilist en 3) ik was een halfuur daarvoor met lichte spanning in Ventoux begonnen.
Dat eerste is nu eenmaal zo en het tweede is een beetje een sleetse stelling omdat eenieder die ik ken het met me eens is. Het derde daarentegen behoeft misschien enige toelichting.

Van Petrarca tot Garate
Over de Ventoux is zo onnoemelijk veel geschreven. De mythe rond de berg – toegegeven, een tamelijk forse helling in een verder akelig vlak landschap met een haast onaardse top wegens gebrek aan enige vegetatie, waarvoor men ooit het metaforische ‘maanlandschap’ heeft verzonnen (een beeldspraak die ik verder zal proberen te vermijden; mijn kennis van het landschap op de maan beperkt zich tot het geklungel aldaar van Kuifje en z’n vrienden) – is inmiddels groter dan de berg zelf. Zo gaat dat, met mythes: de fictie moet de werkelijkheid overtreffen, waarom zou er anders fictie nodig zijn? En toch: je moet van goeden huize komen om nog iets aan de geschiedenis van een monster toe te voegen, als fietsende columnist op pagina 2.

Simpson, Pantani, Armstrong, Merckx, Garate, Petrarca; allemaal hebben ze er hun sporen achtergelaten, allemaal hebben ze iets onvervreemdbaars toegevoegd aan een geschiedenis die haar eigen roman geworden lijkt. De grootste renners, dichters, romanciers hebben zich over de Ventoux gebogen als natuurkundigen over de Snaartheorie, er zijn prachtige non-fictiewerken en sites (www.dekaleberg.nl) over volgeschreven, er zijn cohorten Petrarkisten en duizenden al even lyrische wielerjournalisten op geweest, als toeristen op de plaatselijke kathedraal. Ik-weet-niet-hoeveel amateurrenners naar boven gekrabbeld, af en toe omziend of de midlifecrisis ze al terrein aan het goedmaken was. En allemaal namen ze hun pet af voor Tom Simpson, die zich als een van de weinigen niet aan de wet van Tim Krabbé hield: hij fietste niet nergens heen, maar juist naar het grote Niets.

Fietsen naar vroeger
Nu, 46 jaar na Simpson, is er Ventoux. Literatuur over een berg die zich op allerlei manieren aan de werkelijkheid tracht te onttrekken. Ik probeerde het klaterende enthousiasme van de DWDD-panelleden uit mijn geheugen te gummen en las, las, las. Tot ver voorbij de deadline van dit stukje. Tot ik moest stoppen, omdat je niet al het fijne ineens moet willen opschrokken. Tot ik het nog niet uit had, maar het wel begon te doorgronden en opeens begreep dat je de Wet Van Krabbé rekkelijk is en je op een racefiets toch wel degelijk ergens heen kan fietsen, liefst bergop: naar vroeger.