Hoe Kurt Cobain bij Inter Milan vertrok

Ooit was Martin Bengtsson Örebro’s grootste trots. Zestien was hij, een kind nog, en toch al de ster van de plaatselijke voetbalclub. Iedereen voelde het, Martin ook: alles gaat beginnen. En alles begon.

Als kind al legt Martin Bengtsson een opvallende, ja, bijna zorgwekkende gedrevenheid aan de dag. Vanaf de zomer van 1994, de zomer van het WK voetbal, de zonnigste dagen van het Zweedse elftal dat onder leiding van Thomas Brolin en Martin Dahlin de halve finales binnenswingt, is hij gegrepen door de sport.

En Martin Bengtsson doet de dingen niet graag half: ondanks dat hij nog niet eens op de middelbare school zit, stelt hij om te beginnen een grondig dieet voor zichzelf op. Daarna volgt een trainingsschema: vijfmaal daags traint hij, in z’n uppie op het trottoir voor z’n ouderlijk huis. Blootvoets. Zo heeft Ronaldo, wiens wedstrijden bij PSV hij eindeloos bekijkt, het immers ook geleerd.

Hoogtevrees
Enkele jaren later al breekt Martin Bengtsson door bij Örebro. Hij is veruit de talentvolste speler van de ploeg, maar ook de jongste, de kwetsbaarste en de eenzaamste.
Tijdens een zomers trainingskamp op een van de Zweedse eilandjes, vertelt hij een van zijn oudere ploegmaats in vertrouwen dat hij weinig angsten kent, maar dat hij wel al een leven lang gekweld wordt door vreselijke hoogtevrees.
“Dan organiseren we op de laatste dag een bungeejump voor je, jochie.”

Op de nacht voor de sprong ligt Martin Bengtsson zwetend wakker, tot hij besluit dat hij zijn ruwe teamgenoten niet nodig heeft om een man te worden. Hij verlaat het kamp, zoekt een bootje en roeit in het duister terug naar het vasteland.
De sprong die hij nooit maakte; het blijkt een keerpunt in het leven van het kind dat maar geen puber leek te willen worden. Vanaf die dag draagt Martin Bengtsson zijn haar niet langer in een keurige zijscheiding, maar in lange dreadlocks en luistert hij uitsluitend nog naar punkmuziek.

De goddelijke paardenstaart
Met zijn voetballoopbaan gaat het dan nog altijd crescendo: Martin is de uitblinker van het nationale elftal onder-18 en al gauw lopen vertegenwoordigers van Chelsea, Inter en Ajax de deur van de familie Bengtsson plat.
Martin kiest voor Inter, voor de Serie A. Het land waar Thomas Brolin groot werd. En het land van zijn allergrootste held: Roberto Baggio. De goddelijke paardenstaart.

Kort na zijn aankomst speelt hij al een paar wedstrijdjes in het eerste. In La Gazzetta dello Sport verschijnt een groot artikel. De kop luidt: ‘Martin Bengtsson: nieuwe ster van de Serie A.’ Zover komt het niet.
Jeugdspelers van Inter wonen in het jeugdinternaat, op Interello. Het is een leven zonder afwisseling, zonder verzetjes anders dan voetbal. Het enige wat de Inter-jongens mogen is overdag de stad in. Om de verveling te verdrijven, kopen ze eindeloos veel spullen, spullen waar ze niets aan hebben in hun kamers die op cellen lijken.

Baggio en Cobain
Als Martin in de zomer van 2004 voor de zomer naar huis terugkeert, ontmoet hij een leuk meisje. Met haar gaat hij naar een popconcert. Samen zien ze een optreden van Morrissey.
Vanaf die zomer heeft Martin Bengtsson een vriendin, en twee idolen: Roberto Baggio en Kurt Cobain.

Bij terugkeer op Interello blijken zich enkele incidenten met andere jeugdspelers te hebben voorgedaan. De clubleiding neemt geen halve maatregelen en besluit dat de deuren van Interello ’s nachts op slot moeten.
De Inter-spelers zijn definitief gevangen in hun eigen jongensdroom.

Alleen op zijn kamer begint Martin Bengtsson gedichten en liedjes te schrijven, in de geest van Cobain en Morrissey. Wanneer hij op een dag terugkeert van een wedstrijd met het Zweeds jeugdelftal, heeft de schoonmaakster van het complex alle gedichten en liedteksten weggegooid.
Martin is ontroostbaar. Niet eens door het feit dat al zijn zielenroerselen reddeloos verloren zijn in de verbrandingsoven, maar omdat het niemand bij Inter ene moer lijkt te kunnen schelen.

Geen voetballer
Op dat moment begrijpt Martin dat hij geen voetballer is, dat hij er misschien ooit een geweest is. Maar nu niet meer. Alleen: hij kan niet meer terug.
Martin Bengtsson wordt gek.
Zijn dagen vult hij met het luisteren naar ‘Days’, van David Bowie. Uren achtereen, ‘Days’. Wanneer hij in de spiegel kijkt, ziet hij niet langer zichzelf, maar een onbekende vrouw. Een vrouw die er niet is, een vrouw die in zijn hoofd zit en er maar niet uit wil.
Op de dag dat hij besluit dat het genoeg is geweest, maakt Martin zijn bed op z’n allernetst op. Daarna draait hij voor de allerlaatste keer ‘Days’, loopt naar de badkamer en haalt een scheermesje tevoorschijn.
Hij haalt het lemmet langs de huid van zijn pols en mist de slagader op een paar millimeter.

Waldemar
Sinds 2008 woont Martin Bengtsson als muzikant en kunstenaar in Berlijn. Hij probeerde het na terugkeer in Zweden nog even bij Örebro, waar hij speelde als nooit tevoren. Maar Inter had iets in hem gesloopt, iets wezenlijks: de liefde voor het voetbal.
Die liefde was vervangen voor de liefde voor de kunst.

Hij publiceerde zijn memoires, “In de schaduw van San Siro”. Het boek werd een groot succes. Nu werkt hij al een tijdje aan een roman.
Martin Bengtssons huidige artiestennaam is Waldemar. Onder die naam trad hij op 22 mei 2010 op in Milaan. In een verlaten bar speelde hij zijn liedjes. Op datzelfde moment, een paar duizend kilometer westwaarts, scoorde Diego Milito in Madrid voor Inter Milan het winnende doelpunt in de Champiosn League-finale.
Waldemar hoorde het nieuws, wachtte tot de opwinding was weggestorven en kondigde zijn volgende nummer aan.

Bron: o.a. 11 Freunde, BBC. Martin Bengtssons memoires zijn hier te koop: http://www.adlibris.com/se/product.aspx?isbn=9172638869. In het Zweeds.