O vroeger, toen alles beter was

Om later nog op te helderen redenen logeerde ik dit weekend in een Vlaams dorp. Toen ons gezelschap het dorp binnenkoerste, zag ik hoe een bejaarde boer in zijn weiland van gazongrootte in een blauwe overall stond te hooien.De straten waren van dezelfde neutronenbomuitgestorvenheid die je alleen in Vlaamse dorpen aantreft. De bruine rolluiken voor de ramen van de huizen waren gesloten, ergens kraaide een haan.

Een golfje subsidiegeld
Even later bereikten we ons reisdoel, een aan het café vastgegroeid zaaltje met de witte letters ‘Wielermuseum’ op een glazen deur. Ik ben een beetje verliefd op kleine musea: vaak is het niet meer dan de uit de hand gelopen hobby van een opgewonden verzamelaar. Vroeg of laat spoelt er bij dat soort fanatici een golfje subsidiegeld aan en wordt the best of van de verzameling verhuist naar een zaaltje naast het dorpscafé. Daarbinnen bevindt zich dan het resultaat van een lang leven intensieve liefhebberij. Wie goed kijkt, ziet dat kleine musea eigenlijk vooral de liefde van hun eigenaar tentoonstellen.

In het wielermuseum was het niet anders. Aan de wanden hingen vergeelde platen van lang vergeten lokale helden, op wankele tafeltjes stond gebutst koperwerk dat renners in vervlogen tijden bij wijze van eerbetoon mee naar huis mochten nemen, om de brede schouders van de uniseks-paspoppen hingen wollen wielertenues met motgaten erin. En overal fietsen, altijd maar fietsen. Op de stang had de conservator een papiertje met de naam van de berijder gekleefd.
Wie de geschiedenis even in stilte op zich liet inwerken, kon het getik van de biljartballen in het café horen.
Bij de ingang stond een levensgrote, kartonnen Tom Boonen, die een stokbrood van wel een meter lang stond te verorberen.
O, wielermusea. O, conservators van het verleden…

Jos van Beers
Tijdens de lunch – broodjes hesp en smos – kwam er plotseling een man aan ons tafeltje staan.
‘Ik stoor toch niet,’ vroeg hij.
Hij stoorde niet. De man had een klein snorretje en sprak het gekuiste Vlaams van de televisieomroepsters.
‘Misschien kennen jullie mij wel,’ vervolgde hij, op de toon van iemand die ieder moment een groot geheim kan gaan onthullen. Maar helaas: we kenden hem niet.
‘Jos van Beers!’ antwoordde hij triomfantelijk en sloeg nogmaals op zijn buik. Het moest bijna wel zeer doen.
Wij knikten. We begrepen dat we Jos van Beers hadden moeten kennen.
‘Ik ben van jullie, in Nederland,’ voegde Jos er aan toe, verbaasd over onze koele reactie.
‘Aha,’ zeiden wij.

‘Heeft u die foto in het museum niet gezien? Dat ben ik, met Jan Janssen. Ronde van Made 1974, meneer. Wacht, ik zal er eens iemand bijroepen. Staf!’
Als op afspraak stond er bijna onmiddellijk een man in bodywarmer naast Jos van Beers. Zijn gezicht vertoonde de sporen van een leven vol binnenpretjes.
‘Staf van Roosbroeck mannen, aangenaam.’
‘Zeventig zeges bij de profs,’ zei Jos van Beers.
Staf knikte. Het was waar. Hij begon op te sommen: Driedaagse de Panne, Scheldeprijs…
Na de opsomming was het even stil. Wij knikten bewonderend, onze mond vol hesp en de twee oud-coureurs speurden onze koppen af naar een klein sprankje herkenning dat niet kwam.

Urenlange stilte van drie seconden
Er viel een urenlange stilte van een seconde of drie. Toen zei Jos van Beers: ‘We laten jullie maar verder doen, wij gaan naar de koers kijken. Tom Boonen rijdt hier vanmiddag.’
We namen afscheid. Terug in het museum liepen we naar de fotowand en speurden naar een veertig jaar jongere versie van de man met het snorretje.
En verdomd, daar hing hij. Daar aan de muur hing een herinnering, door bijna iedereen vergeten, plotseling bij de lunch weer even tot leven gekomen.

Meer leuke content? Like ons op Facebook