Volkskrant: Literatuur is dood

Ik weet niet wanneer iets überhip is, en ik wil het ook niet weten. Eén ding weet ik wel: als iets in het Volkskrant Magazine ‘überhip’ wordt genoemd, is het dat dus niet.

‘Literatuur leeft!’ stond op de zaterdagvoorpagina van de Volkskrant. Op de cover van het magazine stond een foto van vijf schrijvers. In het magazine een groepsfoto (dertig schrijvers) en een stuk, ‘Leesclubbing nieuwe stijl.’

Schrijver: Henk van Straten. Henk van Straten heeft vier romans gepubliceerd. Dat is niet te merken aan het stuk. Zo begint het: de schrijver zit in de trein naar Amsterdam voor het Das Magazin Festival. Das Magazin is ‘het hipste en mooiste literaire tijdschrift van Nederland.’ Er volgen een paar lovende alinea’s over Das Magazin en het boekenfeestje Literaturfest. ‘Nieuw, fris en leuk, dat zijn hier de trefwoorden.’

Conventionele proza
Maar, waarschuwt Van Straten, je doet Das Magazin ruimschoots tekort door ze alleen maar ‘hip’ te noemen. ‘Want ook publiceren de jongens ‘conventionele’ proza van mensen als Rutger Kopland, Jan van Mersbergen en Cees Nooteboom.’ Een ietwat belachelijke opsomming. Maar wat vooral opvalt, is de schaamteloze oppervlakkigheid.

Wat is bijvoorbeeld ‘conventionele proza’? Nergens wordt het uitgelegd. Zoals ook nergens de vraag wordt gesteld waarom Das Magazin een goed literair tijdschrift is. Of het een goed literair tijdschrift is. Who cares? Trouwens, over die literaire feestjes: ‘Een tikkeltje ludiek (…) maar wel met kennis van zaken.’ Van de ‘kennis van zaken’ volgt geen voorbeeld. Van de ludieke aanpak wel. ‘Toine Donk zit soms naakt in een bad gevuld met boeken.’

Goed. Bedankt. Het moet overigens ‘conventioneel’ proza zijn. Het proza. Onzijdig. Maar ja. Het is flauw om te zeggen dat er voor een schrijver die ‘proza’ verkeerd gebruikt, weinig hoop is. We blijven optimistisch.

Ze zijn… anders
Ten onrechte, blijkt snel. We krijgen een moeizame parafrase op het vaak geciteerde ‘de hel, dat zijn de anderen’: ‘L’enfer, c’est les autre auteurs.’ Gevolgd door een vertaling. Is het trouwens niet: ‘les autres auteurs?’ Autres, met een s? Een suggestie: als je je eigen taal amper beheerst, wacht dan even met het Frans.

Ook de rest van het stuk roept veel vragen op. Met name: is dit inhoudelijk zwak, of vooral stilistisch kreupel? Lastig. Van Straten bewijst dat het niet of of hoeft te zijn. Moeizame zinnen, lelijke schrijftaal (‘doch’ in plaats van ‘maar’, ‘reeds’ in plaats van ‘al’). Gecombineerd met een wel bijzonder oppervlakkige kijk op literatuur. En op lezers – zowel op de oude als de nieuwe generatie. ‘Ze ogen niet als literatuurmensen’, schrijft Van Straten (hoe ogen literatuurmensen? Roken ze pijp? Dragen ze tweed? Monocles?). ‘Ze hebben niet dat stoffige, culturele, snobbistische. Ze zijn… anders.’

‘Anders’. Hier is duidelijk een schrijver aan het woord. Het is trouwens ‘snobistische.’

Het schoolplein
Het is niet eens de groepsfoto bij het artikel die ‘Leesclubbing nieuwe stijl’ iets middelbare school-achtigs geeft, of beter gezegd iets kinderachtigs. Het hele stuk ademt een puberale combinatie van trots en angst. De angst om losgelaten te worden op het schoolplein. En de trots als je er uiteindelijk bij hoort – om wat voor reden dan ook.

Over het werk van de vele genoemde schrijvers gaat het nergens. De enige echt zinnige vraag – leuk die feestjes, maar worden er ook nog goede boeken geschreven? – wordt niet gesteld.

Van Straten lepelt nog een paar matige anekdotes op, over de afterparty van het festival. Hij sluit af met: ‘Als dit de vloedgolf was, de vloedgolf van een nieuwe generatie literatuurliefhebbers, dan heb ik er toch maar mooi op gesurft.’ Dat vat het aardig samen. Hij hoort erbij. Oh, en wie benieuwd is naar de muziek op zo’n afterparty: die is ‘hip.’

De hel, dat zijn niet andere schrijvers. De hel is een kale wachtkamer waar niks anders te lezen valt dan strompelende stukken over überhippe leesclubs.