De Week van het Sportboek: Wilfried de Jong en het meedoen van Erica Terpstra

Het was een klein berichtje, dat als een verveelde bromvlieg even door de gelagkamers van de sociale media vloog en al snel weer verdween: de twee door het Olympisch Stadion georganiseerde avonden in het kader van de Week van het Sportboek – de Avond van het Wielerboek en de Avond van het Voetbalboek – waren afgelast.

Reden: gebrek aan belangstelling.

De Avond van het Spannende Boek is uitgegroeid tot een gala met een wachtlijst die groter is dan het aantal beschikbare kaarten, er is een Managementboekenbal, de Filosofie heeft een hele Maand tot z’n beschikking om nog eens uitgebreid naar de eigen navel te staren en ik weet zeker dat ook de Zelfhulpboekenweek – indien iemand hem had bedacht– een doorslaand (en ietwat deprimerend) succes zou zijn.
Maar de Avond van het Voetbalboek en de Avond van het Wielerboek, daar komt dus kennelijk geen kat op af.

De boel de boel
Ik heb de neiging dat soort berichten op mezelf te betrekken. Ik had geen kaartjes gekocht, en daar waren geen excuses voor: ik wist dat de avonden werden georganiseerd, ik kende verschillende sprekers en geïnterviewde, had de te bespreken boeken gelezen en mijn agenda was voor beide avonden nog helemaal leeg. Even later had ik het weer voor elkaar: ik had mezelf wijsgemaakt dat ik – en niemand anders – die avonden van deze roemloze afgelasting had kunnen vrijwaren door niet zo te zaniken over vrije avonden en lekker thuis zitten en “de boel de boel”, maar gewoon acht kaartjes voor mijzelf en zeven sportminnende vrienden te bestellen.

Als een vreemd soort boetedoening ging ik vervolgens op internet alles opzoeken over de avonden en de optredende schrijvers, schafte boeken aan die ik al bezat en prentte me in dat het dit soort achteloosheid is waardoor de wereld vroeg of laat kopje onder gaat, maar mijn schuldgevoel bleef maar groeien, als een waterballon die maar aan de kraan blijft hangen en waar niemand meer naar omkijkt.
Hoeveel kostte zo’n kaartje eigenlijk, vroeg ik ma opeens af. Twee clicks later wist ik het antwoord: 6,50. Of, in de kopjes koffie-analogie van de goededoelenmaffia die je een paar keer per dag op straat staande houdt en een foto van een ondervoede aidsbaby onder je neus duwt: drie kopjes koffie, en dan heb je nog geluk ook.

Ik drink misschien wel twintig kopjes horecakoffie per maand, dat waren zomaar zeven Sportboekavonden die ik in een gemiddelde dertig dagen gedachteloos achterover sloeg.
Als je maar lang genoeg door redeneerde, kwam het er in feite op neer dat ik al een paar jaar lang mijn eigen beroepsgroep zat weg te klokken.

Nico Scheepmaker-beker
Drie jaar geleden was ik zelf aanwezig op de openingsavond van een van de eerste Weken van het Sportboek. Die avond – een maandag, geloof ik – zou de Nico Scheepmaker-beker voor het beste sportboek van het afgelopen jaar uitgereikt worden en men had mij gevraagd om de uitreiking in te leiden met een heuse lezing.
Het was de eerste keer dat ik buiten de collegezalen iets in het openbaar zou gaan zeggen.

In mijn lezing – die, waarschijnlijk om het gewicht van het gebeuren iets te verlichten, in het programma als ‘gesproken column’ stond aangekondigd – constateerde ik dat ik misschien wel een sportjournalistieke prijs had gewonnen, maar toch beslist geen sportjournalist was.
Het was een erg grappige lezing, vond ik. Vooraf, althans.
Er was geen katheder, zodat ik de twee voddige A4-tjes in mijn hevig trillende hand zou moeten houden. Maar ook toen presentator Tom van ’t Hek mij aankondigde, geloofde ik nog dat ik iets bijzonder komisch had bedacht.

Systeemplafond
Al lezende werd ik minder enthousiast. Op de eerste rij werd er nog welwillend geglimlacht – met name door de genomineerden die altijd, overal ter wereld naar iedereen welwillend glimlachen omdat je nu eenmaal nooit weet of het de uitslag misschien nog positief kan beïnvloeden – maar verder naar achter in de zaal zag ik halverwege mijn lezing de eerste mensen beginnen aan een grondige inspectie van het systeemplafond. Alleen helemaal achterin de zaal, waar een paar bekenden zaten, klonk wat aanmoedigend geschater.

Na mijn lezing kwam er een jongen die korte gedichtjes voorlas over sport. Het was ontegenzeggelijk grappiger dan mijn bijdrage en ik kromp als een kanten blouse op zestig graden. Vooral zijn laatste gedicht was een klapper. Het heette “Erica Terpstra” en ik herinner me de laatste regels nog: “Mocht men bij het IOC ooit met drinkwedstrijden beginnen / Bedenk dan: meedoen is belangrijker dan winnen.”
De volgende dag beluisterde ik de radioreportage die op Radio 1 was uitgezonden. “Erica Terpstra” zat er nog in, mijn gesproken column was er in z’n geheel uit gesnoeid.

Wilfried wint
Gisteravond vond de uitreiking van de Nico Scheepmaker-beker wederom plaats. Winnaar werd de prachtige verhalenbundel Kop in de wind van Wilfried de Jong. Naar verluidt had de jury het weer eens ouderwets moeilijk met de keuze, en ik geloof dat. Er wordt in Nederland steeds meer, steeds succesvoller en steeds fijner over sport geschreven. De oogst van 2012 was in alle opzichten indrukwekkend. Die schrijvers, die mij en zoveel anderen zoveel plezier bezorgen, verdienen niet alleen een verkiezing, maar ook mooie avonden in een fijne Sportboekenweek. Steun dat initiatief, in godsnaam, anders stappen ze vroeg of laat nog over op de zelfhulpliteratuur.

Meer leuke content? Like ons op Facebook