Bang hopen op een prille Perzische lente

Het is 21 juni 2009, tien uur ’s avonds. Ik ben aan het einde gekomen van mijn reportage door Iran, ter voorbereiding van mijn eerste boek Duizend-en-één dromen. Een reis langs de Trans-Iraanse Spoorlijn.

Ik zit samen met fotograaf Pieter-Jan in de binnentuin van ons hotel in Teheran. Net hebben we op een gammele televisie gezien hoe Neda Agha-Soltan een dag eerder, en op tien straten van ons hotel werd neergeschoten. Het bloed stroomde uit haar mond, ze sperde haar ogen wijd open en stierf op de koude, harde grond. Het filmpje van haar dood werd met een mobiele telefoon gemaakt en ging toen al een dag de wereld rond. Maar dat wist ik niet, want het regime had internet en telefoon afgesloten. Ik vernam alleen het nieuws over Neda’s dood omdat onze hoteluitbater iets deed wat nochtans niet mag: hij had satelliettelevisie en kon daardoor een buitenlandse zender ontvangen.

Twee uur na het zien van de beelden van Neda’s dood ben ik nog steeds in shock. Neda was een van de honderdduizenden mensen die op straat waren gekomen om te protesteren tegen de uitslag van de Iraanse presidentsverkiezingen, waarvan ik een week eerder getuige was. Er werd daarbij massaal gefraudeerd, waardoor alle hoop op verandering de kop werd ingedrukt: de overwinning van de hervormingsgezinde Mir-Hossein Mousavi werd brutaal gestolen. Neda Agha-Soltan was een jonge vrouw zoals ik er tientallen had geïnterviewd. Het voelt die avond alsof er een deeltje van mezelf is gestorven.

Tranen drogen met een sluier
Het is tien uur ’s avonds, het is donker en het is stil in de altijd loeiende, gillende, chaotische metropool Teheran. Ik ben die middag twee keer op straat geweest, maar merk al snel dat het te gevaarlijk is: mijn fotograaf en ik behoren bij de laatste westerse journalisten in Teheran. Een paar minuten nadat ik Pieter-Jan heb gezegd dat het lijkt alsof we gevangenen zijn, doorbreekt een luide schreeuw de stilte. ‘Allah Akbar’, roept een jonge vrouw op het dak van een appartementsgebouw in onze straat – die daken waren ook tijdens de Islamitische Revolutie van 1979 een plek waar mensen opriepen tot protest.

Nog geen vijf minuten later gaat haar kreet van dak tot dak en staat de hele wijk in brand. De stemmen van deze mensen bezorgen me koude rillingen, maar meer nog krijg ik het kil van het besef dat de gevangenis waarin deze schreeuwende mensen verblijven echt is, terwijl die van mij slechts tijdelijk is. Om twee uur ’s nachts komt een taxi ons ophalen: we moeten terug naar België; ons visum wordt niet verlengd en we worden straks letterlijk op het vliegtuig gezet. In de taxi op weg naar de luchthaven heeft de sluier die ik al drie weken moet dragen voor het eerst nut: de stad is een gevaar voor journalisten, en op de achterbank van de auto verberg ik mijn hoofd onder mijn sluier. De sluier dient nog een ander doel: ik droog er mijn tranen mee, want opnieuw huil ik, omdat ik naar de vrijheid mag. Maar de mensen met wie ik drie weken samenleefde moet ik achterlaten in de grote gevangenis die Iran geworden is.

Toen ik terug in België was, verspreidden de straatprotesten in Iran zich als lopend vuur en werd de Groene Beweging steeds groter. Ik geloofde toen nog dat ik snel zou kunnen terugkeren om mijn reis verder te zetten, maar ik vergiste me. Het regime vertoonde barsten maar viel niet. De duimschroeven werden steeds harder aangedraaid. Duizenden mensen werden gearresteerd. Er was sprake van folteringen en verkrachtingen in de gruwelijke gevangenissen van Evin en Kahrizak. Ik kreeg geen visum meer: kritische pottenkijkers worden geweerd in een land dat vier jaar na mijn eerste bezoek helaas nog steeds een gevangenis is.

Verkiezingskoorts voor Hassan Rohani
Morgen zijn er in Iran opnieuw presidentsverkiezingen. President Ahmadinejad is na twee ambtstermijnen niet langer verkiesbaar. Het Iraanse volk kan vrijdag kiezen tussen zes kandidaten, al is het zeer de vraag of er van keuze nog werkelijk sprake is: de afgelopen weken moesten alle presidentskandidaten eerst worden goedgekeurd door de conservatieve Raad van Hoeders, en uiteraard door ayatollah Khamenei, de opperste leider van Iran die alle touwtjes in handen heeft. Groot waren de ontgoocheling en verbazing toen voormalig president Akbar Hashemi Rafsanjani van de lijst werd geweerd, omdat hij als te hervormingsgezind werd beschouwd. Zelfs de kleinzoon van ayatollah Khomeini, de stichter van de Islamitische Republiek, noemde dat ‘ongelooflijk’.

Het enthousiasme voor de verkiezingen van morgen leek een paar weken geleden dan ook erg bekoeld, en verwacht werd dat de opkomst laag zou zijn. De leiders van de Groene Beweging, Mir-Hossein Mousavi en Mehdi Karroubi, staan sinds februari 2011 onder huisarrest, en omdat er niet écht een sterke hervormingsgezinde kandidaat was, vroegen veel Iraniërs zich af of ze uit protest niet beter zouden thuisblijven.

De voorbije dagen echter is er iets veranderd in Iran, en is er zelfs sprake van verkiezingskoorts. De naam die daarbij steeds valt, is die van de gematigde Hassan Rohani. Zijn campagne kreeg dinsdag een stevige boost toen Mohammad Reza Aref, de enige hervormingsgezinde kandidaat, zich uit de race terugtrok. Volgens de BBC deed hij dat op verzoek van voormalig president Mohammed Khatami, nog steeds de onbetwiste leider van de hervormingsgezinde beweging in Iran. De terugtrekking van Aref vergroot de kansen van Rohani, overigens de enige geestelijke onder de kandidaten: verwacht werd dat een overwinning van Aref sowieso nooit zou worden gedoogd door Khamenei, en men met Rohani meer kans maakt op verandering van binnenuit. Hassan Rohani heeft tijdens de campagne betoogd dat het buitenlandse beleid gematigder moet en er meer sociale vrijheid en persvrijheid moet komen. De Britse krant The Guardian spreekt zelfs van een ‘frenzy’ bij iedere toespraak van Rohani, die afgelopen week ook de uitdrukkelijke steun kreeg van Khatami en Rafsanjani.

“Wie zegt dat ze onze stemmen zullen tellen?”
Ik hoop dat Iraniërs morgen massaal op Rohani stemmen, maar niettemin hou ik mijn hart vast, want hoeveel kan er écht veranderen als de president een speelbal blijft in de handen van radicale geestelijken als Khamenei, die zich, met de Koran in de hand, dagelijks schuldig maken aan de verkrachting van hun eigen land? Ik ben niet de enige die bang is om na het bedrog van 2009 te hopen. “Wie zegt dat ze onze stemmen ook werkelijk zullen tellen?” schreef een vriend me afgelopen week.

Amir (26) was betrokken bij elk straatprotest van de Groene Beweging, en hoewel vrienden van hem gearresteerd werden, zette hij zijn eigen angst opzij vanuit de overtuiging dat ‘change’ spoedig naar Iran zou komen. Vier jaar later blijft Amir politiek ademen, en van de huidige campagne miste hij geen woord, maar niettemin is hij erg ontgoocheld over wat hij ‘de dood’ van de Groene Beweging noemt. “Onze leiders staan onder huisarrest. In het Westen zwijgt men hen dood. Vrijdag ga ik stemmen, en ik roep iedereen om me heen op dat ook te doen, omdat we op die manier kunnen verhinderen dat een aartsconservatief als Saeed Jalili wint. Maar ik zie veel mensen de schouders ophalen. Ze denken dat het toch niets zal uithalen. Dat defaitisme is gevaarlijk.”

De voorbije vier jaar zag ik Amir niettemin ook een aantal keer wanhopen. Amir is werkzaam in de toeristische sector, maar zijn ware passie is literatuur. Hij schreef twee jaar geleden een novelle over een vriend die na een straatprotest een aantal weken vastzat in de Evin-gevangenis. Zijn boek kan hij vanwege de bikkelharde censuur echter niet publiceren. Hij blijft schrijven en werkt intussen zelfs aan een roman, waarvan hij evenwel nu al weet dat die niet zal verschijnen als er niets substantieels verandert in Iran. “Dagelijks schrijf ik woorden neer die ik daarna weer moet inslikken,” zei hij me een keer. “Als je als schrijver je stem niet mag laten horen, sterf je elke dag de verstikkingsdood.”

“We zullen hen doden met onze pen”
In een land als Iran is dromen geen gemakkelijke opgave, maar toch heb ik zelf kunnen vaststellen dat hoop in een dictatuur de enige strohalm is waarlangs mensen zich uit de ellende naar boven kunnen hijsen. Ik hoop dat we morgen een pril begin van een Perzische lente zullen zien. Ik hoop dat Amir de komende vier jaar zal blijven schrijven, en dat hij blijft geloven dat woorden verschil kunnen maken. Ik heb hem verteld dat ik dit stuk heb geschreven, en stuur hem en zijn landgenoten met deze woorden van de Perzische schrijver Hushang Golshiri naar de stembus: “We wensen geen nieuwe revolutie. We verlangen naar een tijd waarin we in vrede kunnen schrijven. We willen het land niet verlaten. Deze keer is het aan hen om het land te verlaten. We zullen hen doden met onze pen. We zullen hen doden met onze aanwezigheid.”