De wielrennerij is een schelmenroman

Daar komen ze weer: de jaarlijkse verklaringen dat de wielersport écht flink op weg is om dopingvrij te worden.

Gisteren hoorde ik het Marcel Wintels, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Wielerunie, verklaren bij Knevel en Van den Brink. Eerder op de dag had de KNWU aangekondigd met een werkgroep te komen die voor een schonere wielersport moet zorgen. Die mededeling kwam er als reactie op het maandag verschenen rapport van de Commissie-Sorgdrager, die onderzoek deed naar de dopingcultuur in het Nederlandse wegwielrennen bij de heren.

“Het gaat de goede kant op,” aldus Wintels in KvdB, “en er komt een generatie aan waar we vertrouwen aan kunnen geven.” “Gelooft u dat echt, dat de huidige generatie niet gebruikt?” vroeg Van den Brink, terwijl hij net zo verbouwereerd zijn wenkbrauwen optrok als nochtans alleen Jeroen Pauw dat volgens mij kon. “Nou ja, ‘niet’ is te absoluut”, zei de voorzitter – en naar de slotminuut van het gesprek heb ik niet meer geluisterd, want het eerste deel van Wintels’ antwoord vertelde alles.

Bedrogen maar toch hondstrouw
Vanuit Vlaanderen, bakermat van de wielrennerij, roep ik het u luid en duidelijk toe, zodat elke wielerliefhebber boven Roosendaal die het wíl horen het ook kan horen: nooit zal de wielrennerij dopingvrij worden, en wie dat durft te beweren, liegt dat hij zwart ziet. De sport is vandaag schoner, hoor je elk jaar orakelen, maar elk jaar opnieuw worden wielrenners betrapt. Elk jaar ook blijven mensen massaal naar wedstrijden als Giro of Tour de France kijken. Meer nog: de populariteit van het wielrennen lijkt alleen maar toe te nemen. Verslaggever Maarten Ducrot zei gisteren bij Knevel en Van den Brink dat de wielerliefhebber zich bedrogen voelt door het dopinggebruik. “Ik heb de hele tijd zitten klappen en nu blijkt het niet waar te zijn”, verwoordde hij het sentiment van de koersfan. Voor mensen die zich bedrogen schijnen te voelen, blijven de wielerliefhebbers nochtans verbazingwekkend trouw op post: kijkcijfers voor wielerwedstrijden op televisie blijven stijgen, en in juli zullen miljoenen weer gaan zitten voor Mart Smeets in de Avondetappe of ‘onze’ Karl Vannieuwkerke in Vive le Vélo.

Koers als schelmenroman
De verklaring is simpel: wielerliefhebbers vinden het helemaal niet zo erg bedrogen te worden als Ducrot beweert. In mijn meest recente roman De seingever (2012) heb ik het waargebeurde verhaal verteld van een Vlaamse man die zijn leven een dramatische wending zag krijgen door het dopinggebruik van zijn koersende zoon, maar toch passioneel van de sport bleef houden.

Die houding kan gerust symbool staan voor de houding van de modale wielerliefhebber: die wéét dat wielrenners al sinds het ontstaan van de sport liegen en bedriegen, en doet er weliswaar verontwaardigd over, maar vindt het listige spelletje stiekem (en vaak onbewust) heerlijk. Het maakt koers er namelijk alleen maar spannender op: het dopinggebruik verandert elke wielerwedstrijd in een schelmenroman. ‘De schelm is gewiekst’, schrijft Wikipedia over dat literaire genre, ‘zijn opeenvolgende werkgevers is hij vaak te slim af. Ondanks zijn kwajongensstreken heeft hij een goed hart.’

De wielrenner-schelm die streken uithaalt weet (zo leert de geschiedenis hem) dat de fans zullen blijven geloven dat hij een ‘goed hart’ heeft, en ze hem dus, mocht zijn bedrog ooit aan het licht komen, zullen vergeven – maar intussen heeft hij wél goed zijn brood verdiend. Wie beweert dat het ooit anders is geweest, liegt alweer: ook de eerste wielrenners, die zogenaamd reden op water, brood, rauwe eieren en een plakje ham van moeder de vrouw, schrokken niet terug voor het verboden goedje.

Zo was er Choppy Warburton (1845-1897), een boomlange, mysterieuze besnorde wielercoach met bolhoed die eind twintigste eeuw op de Europese wielerpistes te vinden was en uit de binnenzakken van zijn lange zwarte jas flesjes met brouwsels tevoorschijn toverde waarin flink wat cocaïne zat, dat toen nog – naast arsenicum, strychnine, cafeïne en nitroglycerine – gewoon verkrijgbaar was bij de lokale apotheek.

Een ‘schone tijdpassering’
Figuren als Choppy zullen er in het peloton immer zijn, en ook altijd zullen er renners zijn die ‘ons’, in hun drang om op het hoogste trapje van het podium te staan, zand in de ogen strooien. Kom bij mij dus niet aandraven met verhaaltjes over een schone wielrennerij: daar kan ik alleen maar hardop om lachen. Dat betekent niet dat ik niet meer naar een koers zal kijken. Er was een tijd dat ik dat niet meer deed omdat ik me bedrogen voelde, maar ik kijk intussen regelmatig wel weer, en misschien om te vermijden dat ik me een goedgelovige en naïeve wielerliefhebber zou voelen, zette ik mijn eigen theorie op poten over wat wielrennen eigenlijk is: geen zuivere realiteit, maar een verhaal dat soms zoveel onwaarheden bevat dat het mythische proporties krijgt.

Vandaag kijk ik naar koers zoals ik een roman zou lezen of naar een film zou kijken, waarbij je op voorhand het geloof opzij legt dat alles wat gebeurt of wordt verteld waar is, wat men in Engelse literaire termen the suspension of disbelief noemt. Wie gelooft in een dopingvrije wielrennerij is ontstellend naïef, en de heren aan de top die beweren dat de sport op termijn schoon zal worden, spelden de wielerliefhebber leugens op de mouw.

Zoals de seingever in mijn boek zegt: “Ze liegen overal. Gelijk waar je kijkt of uw televisie openzet, zijn ze ons aan het bedriegen. ’t Is in de koers niet anders, maar of ze nu bedriegen of niet, het blijft een schone tijdpassering, en dat is toch het voornaamste.” Zo denken miljoenen wielerliefhebbers erover, en zolang zij op hun post blijven en er dus met koersen veel geld te verdienen valt, zullen renners, ploegleiders en wielerdokters gewiekste personages uit schelmenromans blijven.

Meer leuke content? Like ons op Facebook