Alles gaat vanzelf bij Andrea Pirlo

Direct na afloop van Spanje-Italië, de halve finale van de Confederations Cup, open ik mijn Twitter en zie de quote van de dag: “Pirlo las een sms’je, vroeg een collega naar het weer van morgen. Hij kocht sigaren, schoot er een penalty in. In de verte blafte een hond.”

Met deze heerlijke, gechargeerde woorden werd Andrea Pirlo in een hokje gestopt. Een hokje dat zelden treffender werd ingedeeld, want lijkt alles niet vanzelf te gaan bij de technicus uit Flero? De lichaamstaal waarmee hij de Spaanse keeper Casillas tijdens de penaltyserie te grazen nam, verraadt zijn klasse. Geen grote woorden en een uitdagend privéleven, uitgelicht in de roddelbladen. Neen, niets van dat alles. Pirlo aait en streelt de bal, verzucht en peinst. Als een Romeinse krijgsheer leidt hij de Squadra Azzurri, eist op en verdeelt. Bepaalt het tempo en scoort.

In 2011 werd Pirlo, van 19 mei 1979, door AC Milan afgeserveerd als zijnde te oud. Hij verkaste naar rivaal Juventus en antwoordde op een manier zoals enkel de allergrootsten dat kunnen. Ongenaakbaar werd Juventus, aan de hand van de meester, kampioen. Op het EK in Polen en Oekraïne strooide Pirlo met ragfijne passes en gold als de beste speler van het toernooi. Likkebaarden voor de televisie. Ondanks het 4-0 verlies in de finale tegen Spanje liet de dirigent zien allesbehalve versleten te zijn.

Naast het voetbal is Andrea Pirlo geen bijster interessante man. Hij kan goed golfen en tennissen, dat wel. Interviews met de bebaarde middenvelder schijnen een nachtmerrie te zijn, hij verzandt in clichés als Louis van Gaal in zelfverheerlijking. Liever laat Pirlo zich in een vol stadion omringen met duizenden tifosi. Hij kijkt naar de bal als een kind naar een lolly. Hij wil hem, en wel nu. Het zou me niet verbazen als hij in huilen uitbarst als ‘ie wordt afgepakt.