Maarten van Roozendaal: chansonnier en rokkenjager

Dat Maarten van Roozendaal grote populariteit genoot was me lange tijd ontgaan. Tot die ene avond in De Kleine Komedie, toen drommen jonge studentes zich aan de voeten van de vandaag overleden kleinkunstenaar worpen.

Mijn bewondering voor Maarten van Roozendaal is van de een op de andere nacht ontstaan. Het was op een avond ter ere van Drs. P in theater De Kleine Komedie in Amsterdam. Tal van artiesten brachten een ode aan de doctorandus, waaronder ook Van Roozendaal. Van zijn optreden herinner ik me niets, van de afterparty des te meer.

De afterparty
Het is omstreeks 00:00 uur. De foyer van het theater wordt enkel nog bevolkt door artiesten, schrijvers en ander gespuis. Maarten van Roozendaal is er niet. Die zit volgens de andere aanwezigen in zijn kleedkamer een sigaretje te roken. “Die komt zo wel.”

Aan de bar raak ik aan de praat met een meisje. Roos heet ze, 23 jaar, studeert Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Een bloedmooie verschijning. Lang blond haar, blauwe ogen, lippen die welhaast nog voller zijn dan die van Maarten zelf. In ieder geval roder.

“Wat vond je van de voorstelling?” vraag ik om het ijs te breken.
“Oh weet ik niet, niet gezien. Ik ben hier met mijn vriendinnen om met Maarten van Roozendaal op de foto te gaan.”
“Oh, ben je een fan dan?” vraag ik verbaasd.
“Ja, wie niet? Maarten is een grote held! Oh, daar is hij!” zegt ze opgewonden, en springt van haar kruk.

Het gesprek is klaar.

Terwijl ik aan mijn biertje nip zie ik vanuit mijn ooghoek dat Maarten is uitgerookt. Met twee vrouwelijke studenten aan zijn zijde komt hij vrolijk bulderend de foyer binnenlopen. In een mum van tijd is Maarten, zoals altijd goed gekleed, omringd door jonge studentes die allemaal met hem op de foto willen. Een zoentje hier, een knuffel daar: de studentes en Maarten genieten volop van de wederzijdse aandacht. Herman Finkers zit ook aan de bar, bekijkt hoe Maarten van alle kanten wordt vastgepakt, en verzucht: “Das war keinmal.”

De Nederlandse Jacques Brel
Maarten van Roozendaal was voor mij, een jonge provinciaal, lange tijd niet meer dan die Jacques Brel look-a-like uit Amsterdam. Tenger postuur, altijd in een iets te groot pak gehesen en een grote mond met zwarte tand, omhuld door vlezig rubber waarop zo af en toe een sigaret rust.

Ook hoorde ik hem eens in Sesamstraat een liedje zingen. Achter de piano, voor de ogen van honderdduizenden Nederlandse kinderen, zong hij’t Is niet fijn om dood te zijn/dat maakt me soms een beetje bang/het doet geen pijn om dood te zijn/maar dood zijn duurt zo lang. 

Zo kende ik Maarten van Roozendaal.

Toen ik hem later ‘Mooi’ hoorde zingen wist ik het helemaal zeker: dit is de Nederlandse Grand Jacques. Dit was Grand Maarten. Groot in kleinkunst. Net als Brel helaas veel te jong gestorven aan longkanker. Maar evengoed onsterfelijk.