Histoire de l’étape 4: Het ongelooflijke verhaal van de ongelooflijke man met de ongelooflijke naam Svein Tuft

Toen gisteren Orica – Greenedge de ploegentijdrit met een zuchtje verschil op z’n naam schreef, sprak de wereld over Simon Gerrans – een surfdude in het lichaam van een soort stripfiguurtje, een kindman met superkrachten.

Ik niet, ik kon slechts naar Svein Tuft kijken, de minst bekende machinist van de Orica-locomotief. Svein Tuft dankt zijn bekendheid in Nederland vooral aan een varkensachtige voornaam en een familienaam die doet denken aan een overtreding waar je in de meeste sporten langdurig voor wordt geschorst.
(Van deze omstandigheid maakte een anonieme NOS-redacteur gebruik om de volgende, onsterfelijke Avondetappe-rebus te verzinnen):

Maar Svein Tuft is meer dan een rebusopgave alleen.

All Canadian Fitnessinstructrice
In 1936 neemt de jonge Noor Arne Tuft deel aan de Olympische Winterspelen. Hij wordt er zesde in het allerverschrikkelijkste programmaonderdeel: de 50 kilometer cross-country op de ski. Het onderdeel voor de ware freak.
Arnes zoon, Arne junior, wordt geen sporter. Hij is een lezer, en een avonturier. Na lezing van Jack London’s “The Call of the Wild” hoort Arne Tuft een lokroep. Hij weet onmiddellijk wat het is: the call of the wild. Nog diezelfde zomer vertrekt Arne naar Canada, om nooit meer naar Noorwegen terug te keren.

Hij trouwt er met Lesly Holness, een all Canadian fitnessinstructrice. Lange, dunne benen, gespierde armen, een blikkerende glimlach en het enthousiasme dat je alleen aantreft op instructievideo’s van all Canadian fitnessinstructrices.
Lesly en Arne krijgen een zoon: Svein. Swain, op z’n Canadees.
(Wie tegenwoordig nog iets van Arne Tuft wil horen, moet geluk hebben: een groot deel van het jaar kampeert Sveins vader in de woestijn van Arizona. Zonder elektriciteit. Een telefoon bezit hij niet.)

Weg van school
Al snel is duidelijk dat Svein Tuft anders is dan andere kinderen. Hij behoort tot de mensen die zich voortdurend willen bewijzen, hun limieten opzoeken en steeds op een plaats willen zijn waar zij op dat moment niet zijn.
Wanneer hij op school is, kijkt hij hele dagen naar buiten. Naar hoe de vogels elkaar achternazitten, naar de jagende wolken, naar de zon en de regen. Daar wil hij heen. Naar buiten.
Na de scheiding van zijn ouders is Sveins onrust door niets of niemand meer te beteugelen. Hij trekt de zware schooldeuren achter zich dicht en vertrekt, de bergen in. Naar buiten, op zoek naar vrijheid op scherpe rotspieken, in dichte bossen, omringd door de geur van vochtig mos.

Steeds vaker, steeds langer trekt hij zich terug in de bossen, in de stilte waar hij zich thuis voelt. Op een dag, hij is dan nauwelijks achttien jaar, rijdt Svein Tuft definitief de wildernis tegemoet. Op zijn mountainbike. Achter zich aan trekt hij een karretje voort, met daarin alleen het hoognodige kampeerspul, een zak aardappelen en Bear, een beer van een hond en zijn onafscheidelijke vriend.
’s Avonds slaat hij zijn kamp op aan de oever van kleine stroompjes, maakt vuur en eet bonen. Wanneer hij wil uitrusten, legt hij bij hoge uitzondering een etappe per trein af – Maurice Garin apres la lettre.

Een baard vol klitten
Op een dag, Sveins tocht duurt dan al meer dan vijf jaar, gaat hij bij zijn oude vader op bezoek. Svein is dan net terug van een ritje door Alaska.
‘Weet je wat jij zou moeten doen?’ vraagt zijn vader.
Svein schudt zijn hoofd.
‘Je inschrijven voor een wedstrijd.’
‘Een wedstrijd?’
‘Een wielerwedstrijd. Een koers. Ik bedoel: je fietst zoveel.’

Niet veel later neemt Svein deel aan een wedstrijdje in de buurt. Hij komt alleen voorop, de jaren fietsen door de uitgestrekte bossen van Noord-Amerika hebben van zijn lichaam een machine gemaakt.
Alleen een lekke band kan hem die dag van de zege houden.
Een paar jaar later wordt hij zelfs prof, bij het minuscule Prime Alliance-team. Tijdens de eerste kennismakingsbijeenkomst met zijn ploegmaats in Los Angeles draagt hij een lange baard vol klitten en stinkt hij een uur in de wind.
Hoe hij er gekomen is, vraagt iemand.
Gefietst, antwoordt Svein.

Die eerste kennismaking met het professionele wielrennen is een openbaring voor Svein, maar het lijkt te laat: zijn vrije geest zal zich onmogelijk nog kunnen aanpassen aan het rigide stramien van de wielrennerij. Bovendien is hij niet geïnteresseerd in het uitblinken in een sport die wordt gedomineerd door doping en bedrog.
Hij besluit te blijven fietsten, maar alleen nog voor de lol – zijn geld verdient hij met grasmaaien en houthakken, hij weet niet beter.

Jerommeke achter de grasmaaier
Zo treffen Kevin en Mark Cunningham hem op een ochtend aan. Svein Tuft, de oud-prof met het bovenlichaam van Jerommeke en benen als de boomstammen die jarenlang zijn belangrijkste gezelschap zijn geweest.
Svein Tuft. Achter een grasmaaier.

De Cunninghams vragen hem om toch alsjeblieft bij hun ploeg te komen fietsen. Tuft gaat akkoord, op twee voorwaarden: de hele zaak moet dopingvrij zijn en hij moet de vrijheid houden om in de winter af en toe nog in z’n eentje te verdwijnen in de bergen. De Cunninghams gaan akkoord; ze zijn stante pede verliefd geworden op die Canadees met die vreemde naam. En zo komt het dat Svein Tuft op een ochtend zijn woonwagen parkeert in de achtertuin van Kevin Cunningham en zo zichzelf een tweede kans als professioneel wielrenner geeft.
De tweede keer blijkt scheepsrecht: de zeges volgen al snel en worden gevolgd door de interesse van grote ploegen. Garmin klopt aan, maar Tuft blijft de Cunninghams trouw.
Een jaar later vertrekt hij alsnog naar de ploeg van manager Jonathan Vaughters, naar een van de beste en rijke ploegen ter wereld.

Kort voor zijn eerste trainingskamp met Garmin scheert hij zich voor het eerst sinds jaren grondig. Op zijn hotelkamer schiet hij in de hagelnieuwe teamkleding en  checkt zijn van de ploeg gekregen Blackberry.
Is hij dit nog? Is dit nog Svein the Strong? Svein, de oersterke natuurmens? Svein, baasje van Bear?

Nee, die Svein Tuft bestaat niet meer. Hij is een saaie, ietwat materialistische jongen geworden, in een wereld vol saaie, ietwat materialistische jongens.
Soms, in een training of een wedstrijd, als hij heel erg diep gaat, ziet hij de tattoo op zijn rechteronderarm.
“We will never be here again,” staat er.
En dan weet Svein Tuft weer: hij zal hier nooit nog eens zijn. En dan versnelt hij nog eens extra.

Gisteren, na de finish, had ik even de hoop dat Svein zich in de top van het klassement zou nestelen, minstens top-5. Helaas: Svein Tuft start vandaag als de nummer 126 in de Tour.

Bron: o.a. een artikel uit de New York Times.