Histoire de l’etape 9: WIELRENNNEN IS HET MOOISTE WAT ER IS!

Ik schrijf deze regels in Parijs, op een dag dat de zon hevig schijnt, er een zwoel windje waait, het park waar ik op uitkijk zich vult met internationale high potentials en hun kroost en alle musea in de stad gratis zijn.

Toch zijn de gordijnen van mijn hotelkamer de hele dag gesloten gebleven, bestond mijn ontbijt niet uit koffie en croissants maar uit een pakje oude crackers en een glas water en heb ik mijn lunch voor het gemak maar helemaal overgeslagen. Nu voel ik me een beetje slap en ronduit euforisch tegelijk. Reden: de koers.

Klassieker dan klassiek
Zelden heb ik zo’n schitterende koersdag beleefd als gisteren. De negende etappe van de Tour de France 2013 wordt klassieker dan klassiek: er zullen films over verschijnen, boeken over worden geschreven en er komt natuurlijk een DVD van het eerste uur, met achtergronden, interviews en materiaal achter de schermen.

De negende etappe van de Tour de France 2013 was spannend, ontroerend, scherp, prachtig, aangenaam, opwindend, eng, onbegrijpelijk en geweldig.

Wat, vraagt u, wat was er dan precies zo prachtig?
Waar zullen we beginnen?

Bij de vliegende start van Johnny H., de voortdurende wisselende koersposities, het tactisch brein en onbenul van de coureurs en hun ploegleiders, de inzinkingen en de uitputting, de vergezichten, de bleke Contador, de brutale Froome, de menselijke Porte, de stoere Ten Dam, de onverstoorbare Mollema, de tandemdemarrage van Valverde en ploegmaat Plaza, de olijke smeerlapperij van De Gendt, het onbeholpen juichen van Daniel Martin, de overgave van Fuglsang, het alle nekharen overeind zettende dalen van Kwiatkowski (aan iedere zijde van de stang een balletje), het uit het ravijn omhoog klauteren van Kennaugh, de demarrages van Quintana als van een te kort opgedraaid speelgoedautootje, de eenzaamheid van een gele trui, de verlammende verbijstering bij de concurrentie, Robert Gesink die voor het eerst in jaren in zijn element lijkt, het peloton dat zich als een opgejaagde slang door de haarspelden slingert, het gevoel van doffe ellende als onder in beeld het bericht verschijnt dat Bram Tankink is gevallen en iedereen zijn adem inhoudt, de opluchting na het bericht dat Tankink weer op de fiets zit, ergens in de verre achtergrond, de van een overdosis leed broos geworden glimlach op de gezichten van de ouders van Fabio Casartelli, de herinnering aan Luis Ocana – hij ruste in vrede, het Noord-Hollandse Kajrmin van Eurosport-commentator Martijn Berkhout, het ‘Nou snap ik het ook effe niet meer’ van Eurosport-kenner Michael Boogerd, de wetenschap dat zelfs dat wat muurvast lijkt te liggen in het wielrennen altijd nog kan wijzigen, Cadel Evans omdat hij Cadel Evans is, de furie van Team Garmin en het bewijs dat het er in het leven eenvoudig om draait je niet al te eenvoudig bij de zaken neer te leggen, de feniks Andy Schleck over wiens lievebabygezichtje plots een schaduw van grotemensenruwheid is getrokken, de zon, de bomen, de bergen en het stemmetje in je achterhoofd dat voortdurend ‘It will never be the same again’ van Melanie C blijft neuriën, omdat je getuige bent van een legendarische gebeurtenis die tegelijk opwindend en ongevaarlijk is?

Zomaar wat redenen, in willekeurige volgorde, maar je kunt er nog zo 127 andere bij elkaar graaien: de negende etappe van de Tour de France was sport op haar allerprachtigst. Er miste misschien nog 1 ding: lieve tranen.

Woute Poels
Het interview begon nog opgewekt – monter zelfs. Wout Poels zat op een hometrainer, zijn geluk oversteeg de vermoeidheid. Hij trapte de bergen uit zijn benen, lurkte aan zijn bidon en antwoordde op de vragen van de NOS-verslaggever. Tot die laatste begon over Wouts afschuwelijke valpartij in de Tour van vorig jaar. Bijna was alles afgelopen geweest, en nu zat hij hier toch maar weer.

‘Spookt dat nog door je hoofd? Komt die hele weg dan nog een keer terug?’ vroeg de journalist.
Wout slikte. De handdoek om zijn nek ontnam het zicht op de brok die zich in zijn keel vormde. Wout slikte nog eens en begon toen aan een antwoord, monter als altijd. Tot zijn stem brak in duizend scherven onverwerkt verleden.

‘Is dit dan de bekroning?’
Wout Poels huilde. ‘Misschien wel een beetje ja.’ Hij wreef de herinnering uit zijn ooghoeken en boog zich over zijn stuur, het hoofd tussen de schouders en jankte het verdriet uit zijn afgepeigerde lichaam. De journalist deed een eerbiedig pasje achteruit en zweeg verder.

Buiten werd Parijs langzaam gaar in de zon. Binnen trok ik de gordijnen opzij, veegde de crackerkruimels van mijn borst, opende het raam van mijn kamer en riep: ‘WIELRENNEN IS HET MOOISTE DAT ER IS! LEVE DE NEGENDE ETAPPE VAN DE TOUR DE FRANCE 2013!’