Histoire de l’etape 12: De Blik van Rob Harmeling

Geen indringender blik dan die van oud-wielrenner Rob Harmeling. Gisteren zag ik hem weer, De Blik, aan de stamtafel waar Mart Smeets iedere avond met een miljoen mensen babbelt over de koers en het leven.

Meestal opgewekt, soms ellenlang, onredelijk of extatisch. Maar altijd met de licht geamuseerde distantie van de sportjournalist die ergens wel weet: er zijn belangrijker zaken in het leven, maar we doen nu even alsof dat niet zo is. Voor Rob Harmeling bestaat er geen doen alsof. Wat Rob Harmeling doet, is. Wat hij zegt, is. Wat hij voelt, is.

Larmoyant?
Toen hij vorig jaar te gast was, wond hij zich op over de jacht op dopingzondaars, de jacht waarin journalisten met hagel op een peloton vol verwarde hazen schoten – ze raakten tenslotte altijd wel iets. ‘Harmeling was larmoyant,’ las ik de volgende dag in een krantenstuk, geschreven door een beroeps-tv-kijker met dientengevolge een brede ervaring met larmoyante types.
(Lar-moy-ant. Bijv. Nw. ‘sentimenteel bedroefd’).

Volgens mij was en is Rob Harmeling de vleesgeworden oprechtheid. Zijn emoties zijn er, ze bestaan, zijn geen gevolg van nauwkeurige berekening of de laatste scene in een goed gerepeteerd scriptje. Als dat larmoyant is, zou ik het graag worden.

De Blik
Gisteren, bij De Mart, was er weer die Blik. De Blik waarmee Harmeling de wereld als iets moois beziet. De Blik die me confronteerde met iets waarvan ik me al lang niet meer bewust was: afstand. Iedereen houdt afstand, altijd, overal. Hoe korter de afstand, hoe harder de dreunen die het leven af en toe uitdeelt.

Wees ironisch, hou je op de vlakte, verberg het achterste van je tong, temper bij voorbaat de euforie om toekomstige droefenis aan te kunnen. Allemaal manieren om je tegen het leven te wapenen, allemaal strategieën om enigszins emotioneel ongeschonden oud te worden. Tactieken die iedereen gebruikt.
Iedereen, behalve Rob Harmeling.

Je kunt Rob Harmeling in de ogen kijken, simpelweg omdat hij dichterbij staat dan wie dan ook. Er is geen afstand, waarom zou er ook afstand moeten zijn?
‘Die wielerwereld is gewoon machtig mooi,’ zei Harmeling en in zijn ogen viel te lezen dat daar geen snipper ironie bij was. Zelfs het citeren van Herman van Veen – in veel gevallen toch een bron van algehele hilariteit – kon door de beugel, omdat het zo intens oprecht bedoeld was. Tenslotte haalde Rob Harmeling een zakje uit de binnenzak van zijn colbert.

Er zat een wielrennertje in. Een klein speelgoedwielrennertje.
‘Dit heb ik gekocht toen ik acht jaar oud was. Dit ben ik.’
Zijn stem brak, de hand van Smeets was intussen voor de mond geslagen. Tafelheer Thijs Zonneveld glimlachte zijn tranen weg.
De laatste zin van Rob Harmeling: ‘Blijf geloven in een mooie wereld, Mart.’
Daarna was er De Blik. De blik van iemand die iedere komma meent van wat hij zegt.

En het was stil, een stilte van nauwelijks twee seconden. Een eeuwigheid.
Smeets zei dat we naar de etappe van morgen moesten, maar er was natuurlijk even helemaal geen etappe van morgen meer. Voor even was er alleen maar Rob Harmeling die heel dicht naast 1 miljoen mensen was gaan staan, om te bewijzen dat je niet altijd maar afstand hoeft te houden.