Histoire de l’étape 18: Deze column gaat over Tom Veelers

Deze column had natuurlijk kunnen gaan over de snor van Jose Serpa. Een mooie, Colombiaanse snor. Doe ‘m ’n pak aan en hij kan zo door voor de tirannieke bondscoach van het Colombiaanse damesrugbyteam. Of geef ‘m een blaasinstrument en fantaseer ‘m op Amsterdam CS. Zo’n snor.

Hij had ook kunnen gaan over de menselijke maat, een uitdrukking uit de koker van de heren Dijkstra en Ducrot die volgens mij stamt uit het jaar dat Floyd Landis de ene dag op minuten gereden werd en de volgende als een op nandrolon kachelend brommertje over de cols scheurde. Dat leek destijds vrij menselijk, maar die inzinking was toch vooral het gevolg van ongeconcentreerd spuiten en slikken. Tot zover de menselijke maat.

Bau & Lau
Ik had ook kunnen schrijven over Bauke Mollema en Laurens ten Dam en hoe hun stripboek ‘Bau & Lau winnen de Tour de France’ gisteren een ontnuchterende appendix kreeg: iedere overeenkomst tussen personen en gebeurtenissen uit de werkelijkheid berust op louter wishful thinking’.

Vlaams staatsklimmer
Bart de Clerq… Had deze column ook zomaar over kunnen gaan, en over hoe Vlaanderen gemiddeld twee keer per jaar een nieuwe rasklimmer begroet, die – eenmaal op de top aangekomen – onmiddellijk met een noodvaart in een zeepkist de helling der eendagsvliegen afraast. Vraag het Jelle Vanendert, Thomas de Gendt of desnoods Wim Van Huffel: eenmaal officieel door Michel Wuyts tot Vlaanderens staatsklimmer geslagen komen ze zelfs op het keukentrapje niet langer als eerste boven.

Paniekerig schelden
En ja, natuurlijk had ik het over Chris Froome kunnen hebben. Froome & Porte, Porte & Froome. Het handje op de schouder van Porte, de bezorgde blik richting Froome, de energiereep, het lachje, de inzinking, de zege en het paniekerige schelden in het oortje…

Tejays grinta
Over Tejay van Garderen had ik kunnen schrijven, zonder meer. Misschien wel de dapperste aller Tourrenners, hij die zich na een zelden geziene tegenvaller oprichtte en van misfortuin geluk probeerde te kleien. Over zijn tanden en hoe hij die stukbeet op de berg. Over hoe grinta niet altijd voldoende is.

Die ouwe Vookt
Een column over Jens Voigt? Was gewoon verdiend geweest. ‘Die ouwe Vookt,’ zoals Herbert Dijkstra hem altijd noemt, op de vertederde toon waarmee je de tandeloze dorpsidioot naroept. Een stukje over Jens Voigt kan altijd, al was het maar omdat hij zes kinderen heeft en dus wel wat aandacht voor zichzelf kan gebruiken.

Hamer
Ik had ook best kunnen schrijven over de glorieuze comeback van de Man met de Hamer, en hoe hij gisteren in het rond maaide. Hoe Ten Dam, Mollema, Kreuziger, Contador, Van Garderen en Froome een voor een werden neergebeukt en hoe fijn het is dat zijn broer, de Man met de Zeis, niet was komen opdagen voor het daalfeestje op de Col de Sarenne.

Bertje
En waarom niet over Aberto Contador, die zoveel menselijker is geworden sinds hij niet meer als een gedrogeerde dwaas door de Alpen raast?

Een lief jongetje langs de kant
Of over de schitterende zin van Maarten Ducrot (Zeeuws dichter, leefde in de 20e en de 21e eeuw. Publiceerde al zijn werk postuum): ‘Het ongeluk kan ieder moment de gedaante aannemen van een lief jongetje langs de kant.’

Riblon
Christophe Riblon had ook best een mooi stuk verdiend – en ik had natuurlijk kunnen vertellen hoe verdomd weinig het me kon schelen dat juist hij won en dat ik geen idee had waarom.

Negen Borats in monokini’s
Als ik ook maar een klein beetje eer in m’n vak als stukjesschrijver had gelegd, was dit verhaal natuurlijk in z’n geheel over de getiktelingen op de Alpe gegaan.
Gefundenes Fressen voor de columnist: iets is schandalig, vrijwel iedereen vindt het ook schandalig en jij schrijft: “Vol verbijstering heb ik gisteren naar mijn televisie zitten kijken. Ik wist dat de wereld een tijdje geleden gek geworden was, maar niet dat het zo erg gesteld is met de patiënt. Ik zag volwassen mannen in gele zwembroekjes, piraten, een man in een Loekie de Leeuw-kostuum en negen Borats in groene monokini’s. Je zou zeggen dat er een punt komt in ieder mensenleven waarop de volwassenheid zijn intrede doet, maar de paarjaarlijkse visite van de Tour op Alpe d’Huez bewijst iedere keer weer het tegendeel.”
Succes gegarandeerd.

Maar deze column gaat over iets anders. Over de wilskracht van een enkeling. Over hoop en doorzettingsvermogen en meer van die eigenschappen waar je als coureur wel een tijdje mee vooruit kunt.

Op de valreep: Tom Veelers
Deze column gaat over Tom Veelers. Vele, vele kilometers lang koerste hij gisteren achter de rest aan. Eerst samen met de Fransman Bonnet, maar die gaf de moed al snel op en verdween in de bezemwagen.
Vanaf dat moment was Tom Veelers alleen. Alleen met een miljoen wielerfans (schatting). Alleen met de pijn in zijn benen, alleen met de muur van geluid, alleen met talloze duwgrage handen die hem naar de finish wilden brengen, alleen met de gedachte aan de tijdslimiet.

Alleen kwam hij aan. Net op tijd, zoals hij ook op de valreep dit stukje binnenfietste.