JG bezoekt de tandarts

JG bij de tandarts: 

JG: Tandarts, mijn ganse mond lijkt scheef, mijn kies doet zeer en het voelt alsof er niets meer op zijn plek zit.
Tandarts: Dat is een hele rare klacht.
JG: Ja.

Tandarts maakt foto’s, tandarts kijkt in mond van JG, tandarts fluit bijna bewonderend door zijn tanden. 

Tandarts: Ik weet niet wat er allemaal mis is Johanna, maar doé er iets aan.
JG (met apparatuur in mond): Huh? Woewo?
Tandarts: Je knarst al je kiezen kapot, als je zo doorgaat moet je een bitje.
JG: Wat de wuk? Een bwidje? Woewo, kwarsen? Ik kwars hooit!
Tandarts: Dat doe je in je slaap, bij overmatige stress, dus doe er wat aan. 

Ik ga nu je kiezen bijslijpen zodat alles weer een beetje gewoon voelt. En ga op yoga ofzo.

JG: Ik? Joha? Eg nhie!
Tandarts: Dan zie ik je binnenkort wel weer, voor een bitje.
Bij het weggaan legt de assistent een bemoedigende hand op mijn schouder. 

Ze zwaaien me voor het raam uit.

Dichter Johanna Geels beschrijft de absurdistische en poëtische kant van de dagelijkse dingen.