Bellen met de boer

Tuinder: Ik kan niet bellen, ik sta in een veld. 

JG: Ik bel u toch.
Tuinder: Jawel, maar ik sta in een veld.

JG: Kan ik 20m2 graszoden bij u bestellen?
Tuinder: Jawel, maar dan moet ik het onthouden en ik sta in een veld. Kan ik u zien?

JG: Euh, nou, ik denk van niet, ik zit in de tuin.
Tuinder: Uw nummer bedoel ik, kan ik uw nummer zien?

JG: Euh, dat weet ik niet. In uw telefoon bedoelt u? Nu?
Tuinder: Nee. Ik zie niks. Ik sta in een veld.

JG: Dat schiet zo niet op.
Tuinder: Nee, mevrouw, niet erg nee. Belt u mij maar terug. Om half 1 precies. Dan eten wij. Op het erf. Dus niet in het veld.

JG: Dus dan bel ik u op het erf?
Tuinder: Ja.

JG: Op hetzelfde nummer?
Tuinder: Neeeee, dat is een ander nummer.

JG: Kan ik dan om half 1 op het erf graszoden bestellen?
Tuinder: Hoeveel moet u hebben?

JG: 20m2.
Tuinder: Ja, dat kan ik nu toch niet onthouden, ik sta in een veld.

JG: Ja, maar straks wel toch, als u op het erf bent.
Tuinder: Ja, op het erf is een pen, in het veld niet.

JG: Half 1?
Tuinder: Precies. Wij eten elke dag om half 1 precies. Geen minuut eerder. Geen minuut later.

JG: Dan bel ik u om half 1. Op het erf. Kan ik bij u pinnen?
Tuinder: U kunt pinnen. Op het erf. Niet in het veld.

Dichter Johanna Geels beschrijft de absurdistische en poëtische kant van de dagelijkse dingen.