Het aantal burenruzies stijgt flink in Nederland. Een sfeerimpressie

Een tijdje geleden zat ik met twee vriendinnen in de tuin. Het was te warm om te koken dus we hadden sushi gekocht bij een nieuwe sushitent op de Amsterdamse Overtoom. Het was het enige dat er nog ontbrak in de buurt. De afgelopen jaren was er een biologische snackbar gekomen, De Pizzakbakkers waren neergestreken, een slijter die enkel wijnen zonder sulfiet verkocht, een restaurant dat de wijnen van die slijter schonk.

Keus te over, behalve als er behoefte aan sushi was. Dan waren we aangewezen op de bestelservice, met eindeloze wachttijden, bezorgkosten en de bezorger die we ondanks die kosten toch een fooi gaven, al hadden we voor het openen van de deur ons iets anders voorgenomen. De sushi smaakte ons erg, al met al konden we wederom vaststellen dat de buurt erop vooruit aan het gaan was.

Tevreden
We zaten in de tuin en waren tevreden. De honden drentelden om ons heen. “Moeten we niet wat muziek aanzetten?”, vroeg een van mijn vriendinnen. We zetten wat muziek aan. Niet te hard natuurlijk, er woonden nog meer mensen in de buurt. De Buena Vista Social Club vulde de tuin. Toen schoot er een kat voorbij. Een van de honden, die ooit van mij was, maar nu niet meer, sloeg aan. Hij blafte heftig, en stopte daar pas mee toen hij zeker wist dat de kat ergens ver weg aan het hyperventileren was.

Omgangsregeling
Zijn ze altijd zo wild? Vroeg een van mijn vriendinnen. Die van mij niet, antwoordde ik, het is alleen die andere. Die andere, een poedel met de naam Courtois, was ooit van mij. Ik had hem aangeschaft samen met mijn grote liefde, maar, net zoals alle hedendaagse grote liefdes, vertrok ook die van mij. Ik had overwogen de hond te claimen, maar ik kon dat niet over mijn hart verkrijgen. We troffen een omgangsregeling, met name omdat we daar de humor van in zagen. Maar toen kwamen er nieuwe liefdes in het spel, en werd de hond opeens van nog meer mensen. Dat leek me ongezond. Mijn grote liefde mocht de hond houden en ik nam een nieuwe, rustigere, in huis. Ik noemde hem Rocco en vond later uit dat dat ‘rust’ betekent. Het klopte.

Interventie
Er schoot een andere kat voorbij. De poedel was niet te houden. Ik kreeg hem pas stil toen hij een bakje wasabipasta op zijn kop kreeg. Wat een opgewonden standje, zei een van mijn vriendinnen. Toen ging de bel.
Ik keek in het gezicht van drie mensen. Een van hen was erg overstuur. “Wat is er aan de hand?”, vroeg ik. “Het is je hond,” zei een ander. “Het is mijn hond niet,” zei ik, “maar ik begrijp over wie jullie het hebben. Het is de poedel, de logé.” De logé sprong voor het raam.

“Daar is hij,” schreeuwde de vrouw die overstuur was. “Zie je wel! Daar is hij! Jouw hond!” “Het is een loge,” zei ik, “en het spijt mij dat hij blaft. Ik zal hem binnen houden.” “Als ik post voor jou krijg, ga ik het je niet geven, zei de opgewonden vrouw. En: je groet me nooit.” Ik had haar nooit eerder gezien, dus dat kon kloppen. Al groet ik dikwijls vreemden, op dagen dat ik mij een allemansvriend voel.

“Ik ga de hond binnenhouden, u groeten, maar dan moet u wel mijn post gewoon geven,” zei ik toen. “Chantage!”, riep de vrouw en toen rende ze weg. En voordat ze haar huis in ging riep ze: “tokkie!”