Bakkali, Tadic, Martens – Een ode aan drie Eredivisie-artiesten

Eindhoven, 10 augustus, 19:33. 

Bij zijn leven heeft er nog nooit een Nederlandse club de Champions League gewonnen. 1996… Da’s… eergisteren.
Daar gaat hij. Zijn rennen doet gemotoriseerd aan, alsof de sleutel in zijn rug zojuist in de kleedkamer nog even flink is opgedraaid. Gezicht op de bal, een vriend die alvast vooruit rent.
1996… Sander Boschker was al op z’n retour en ergens in Luik werd een baby op een buik gelegd.

Rotterdam, 11 augustus, 14:20
Het mooiste stadion van Nederland heeft ook de mooiste spelerstunnel. Hij staat helemaal achteraan, zoals wel vaker. In zijn rechterhand een klamme kinderhand van een mascotte. Hij knijpt erin, heel even maar.
Voor hem het achterhoofd van zijn voorganger. Hij kijkt ernaar; er valt nergens naar te kijken.
Die jongen voor hem… Die mag zijn nek wel eens uitscheren, denkt hij.

Alkmaar, 11 augustus 2013, 16:00 uur
Op straat zou je hem zo voorbij lopen. Gewone jongen. Helblauwe ogen, dat wel, ogen die spelsituaties doorgronden als röntgenstralen het menselijk lichaam.
Daar staat hij, aan de zijlijn, sprintjes trekkend in stilstand, de heupen loswrikkend. Een paar hoge sprongen, knietjes tot de borst.
Dan gaat het bord omhoog.
Het bord met nummer 11.

————————————————————————————————

Eindhoven, 10 augustus 2013, iets na negenen
Hoe hij die invliegende rechtsback omzeilt… Een sierlijke jump.
De ballerina die slootjespringt.
Een korte aarzeling: voorgeven of zelf gaan. Domme vraag, als je zo goed bent.
Het dribbelen, een voortdurend zacht aaien van de bal.
Een nieuw obstakel, een lantaarnpaal in een NEC-shirt.
Dan de beslissende veeg met buitenkant rechts, zoals je een emmer aan de kant schuift. Vijf razendsnelle muizentrippeltjes.
De linkerarm naar achter. Volledige balans.
En dan dat schot.
In het stadion denkt eenieder die hem heeft meegemaakt, aan 1 man. (Het schijnt dat Luc Nilis tegenwoordig aardig dik geworden is. Dat moet een vergissing zijn).

Rotterdam, 11 augustus 2013, 16:13
Het duurt twee seconden.
Je kunt het eindeloos terugspoelen. Herbekijken.
Bestuderen met een team specialisten.
Heeft geen zin: je komt er niet achter.
Waar zitten de ogen in zijn achterhoofd? Waarom ziet die jongen dingen die niemand anders ziet? Die niemand anders kan zien?!
Er staan twee tegenstanders achter hem. Dat voelt hij, zien kan hij ze onmogelijk; hij staat met z’n rug naar ze toe.
Dan beroert zijn hiel de bal, zacht, alsof het net niet de bedoeling is.
Tergend traag hobbelt de bal tussen twee verdedigers door, naar de vrijstaande spits.
Een droge knal, een goal. Veertigduizend mensen die niet juichen.
Miljoenen mensen die het hebben kunnen zien. Tot in de achtste herhaling.
En niemand die het heeft begrepen.
Hoe deed je dat, vragen ze hem later.
Hij lacht verlegen. Uitleggen zou te ver voeren.

Alkmaar, 11 augustus 2013, 16:04
Elf maanden.
In elf maanden kun je veel verleren.
Eerst draait hij nog naar zijn verkeerde been. Rechts is van chocola.
De artiest is links. De meeste artiesten trouwens.
Met een paar vriendelijke tikjes legt hij de bal klaar. Geen tegenstander te bekennen, alsof ze begrijpen dat je een kunstenaar af en toe even moet laten doen.
Elf maanden geleden is het.
Misschien is het met voorzetten schilderen als met fietsen. Dat je het nooit verleert.
De bal krult als Doutzens wimpers.
Elf maanden…
Elf maanden kunnen de artiest wel uit het voetbal halen, maar het voetbal niet uit de artiest. Of zo.