Prins Friso en de postbode

Prins Friso is overleden. Zijn strijd, die misschien nog het zwaarst om dragen was voor de nabestaanden, is gestreden. Al een tijd geleden sloop de geest van de prins op kousenvoeten weg, en nu mag ook zijn lichaam rusten.

Toen ik vandaag het nieuws van zijn dood vernam, kwam mijn neef Herwin opnieuw aan de deur van mijn herinneringen kloppen. Telkens als ik de afgelopen twee jaar iets las over het lot van Friso, zag ik weer haarscherp de donkerbruine ogen en bruine krullen van Herwin voor mij.

‘Het komt nooit meer goed’
Bijna twee jaar geleden, toen Herwin op een zachte nazomerzondag een ritje ging maken met zijn motor, werd hij aangereden door een auto die linksaf wilde slaan. De chauffeur had mijn neef, die niet sneller reed dan toegestaan, te laat zien aankomen. Om tien uur ‘s avonds, op 11 september 2011, was ik toevallig op bezoek bij mijn ouders toen de telefoon rinkelde. Ik zag mijn moeder bleek wegtrekken en hoorde aan de andere kant van de lijn iemand huilen. Het was tante Maria, de oudste zus van mijn moeder, die ons meedeelde dat haar enige kind in coma lag na een motorongeval. ‘Op zijn hoofd’, zei ze, ‘op zijn hoofd is hij gevallen; het komt nooit meer goed, een moeder voelt dat.’

Drie dagen lang zweefden Herwins vrouw, zijn jonge zonen en onze familie tussen vrees en hoop. Toen er werd beslist om de machine stil te leggen omdat Herwin hersendood was, legde mijn maag zich in een knoop die ik vandaag nog vaak ervaar, vooral wanneer ik mijn tante zie. Ze was 81 toen hij stierf, en van alle verdriet die Herwins dood veroorzaakte, vind ik haar pijn het zwaarst om dragen. Zij moest eerst gaan, niet hij. Die volgorde zou ik in een wet willen neerschrijven, maar het leven doet niet aan regulering.

‘Hij lag daar maar te liggen’
Twee jaar na Herwins dood vind ik mijn tante verbazingwekkend dapper. Ze heeft de draad van haar sociale leven weer proberen oppikken, maar, vertelde ze me onlangs, er gaat geen avond voorbij dat ze niet huilend op de bank zit. ‘Toen hij in coma lag,’ zei ze, ‘en ik voor het eerst de ziekenhuiskamer binnenkwam, heb ik hard geroepen in zijn oor. “Herwin, jongen,” schreeuwde ik, “hoort ge mij niet?” Maar hij lag daar maar te liggen, en ik wist dat ik hem kwijt was.’

Herwin was geen prins, maar een eenvoudige postbode uit Antwerpen. Toch zie ik weinig verschil tussen Friso en mijn neef. De prins was 44; mijn neef 51. Ze liepen zware verwondingen op tijdens het uitoefenen van een van hun favoriete bezigheden, en beiden hebben ze van het leven geen tweede kans gekregen. Het verdriet van Herwins vrouw, kinderen en moeder is nu ook dat van prinses Mabel en koningin Beatrix. Toen de as van Herwin op de begrafenis werd uitgestrooid in een Antwerps grasperkje, en mijn tante, gebroken, als eerste dichterbij ging om wat nog van hem overbleef te groeten, wist ik dat het leven genadeloos hard kan zijn, en ik zelden getuige zou zijn van nog dieper verdriet. Toch dacht ik op dat moment als troost aan de mooie woorden van Hugo Claus, die ik tot slot van dit stukje wil meegeven aan allen die prins Friso liefhadden:

als dan het koperen keteltje vol as
van wat ik was wordt leeggeschud
over het geduldig gras,
 mijn lief, sta daar niet voor schut
(…)
En lach om wat ik was.