De generalisatie van een generatie

Ik las deze week dat er dit jaar maar heel weinig baby’s worden geboren in Nederland. ‘Babydip’, kopte de Volkskrant afgelopen woensdag op de voorpagina; dit jaar komen er bijna net zo weinig zuigelingen ter wereld als tijdens de crisis in de jaren tachtig.

Ja wacht even, ik ben zelf halverwege de jaren tachtig geboren.

Ik weet best dat het toen ook crisis was, maar dat het gepaard was gegaan met een historisch laag geboortecijfer was me even helemaal ontschoten. Hebben we natuurlijk ook de demografen voor. Klinkt best logisch eigenlijk: minder geld is minder baby’s.

Een crisisbaby dus.
Verklaart meteen alles.

Zo’n baby moet wel onmiddellijk in een hokje worden gestopt. Anders wordt het maar een rotzooitje, dan doet iedereen maar wat. Gelukkig hebben we ‘de sociologen’.

Een crisisbaby. Is dat een product van de laagconjunctuur, of juist een verschijnsel ondanks economisch barre tijden? Dat tweede natuurlijk. Wij zijn geen losers, wij overwonnen! Waar vele potentiële generatiegenoten uit pure armoede het daglicht zagen in de vorm van een vlek in het laken, kwamen wij bijna allemaal als volmaakte baby’s ter wereld. Crisis, of geen crisis.

Doet me een beetje aan Asterix en Obelix denken: Alleen in het noorden bood een klein dorpje nog dapper weerstand…

En als we dan toch een kind van onze tijd moeten zijn is dat eigenlijk ook niet de jaren tachtig. De jaren negentig gingen onze oogjes pas echt open. Wat waren we rijk toen!

Zijn de sociologen het trouwens helemaal mee eens. Heersende opvattingen vertellen ons dat we zijn opgegroeid in luxe, we zijn wars van idealen en we hebben een grote drang onszelf te bewijzen. De generatie-ik, noemen ze ons.

Mijn generatie, geboren tussen 1980 en 1994, is ambitieus maar heeft vaak ernstige problemen met autoriteit. We genieten onuitputtelijke financiële steun van onze ouders, zijn dus verschrikkelijk verwend, maar we zijn ook vindingrijk en zelfstandig. Je zult ons nooit zien meelopen in een mars, protesteren tegen het gezag doen we niet. Het gaat ons alleen om onszelf: wij zijn narcisten.

In het meeste kan ik me persoonlijk wel vinden. Het enige dat er bij mij niet in gaat is dat zogenaamde individualiseringsproces. Dat is toch niet typisch iets voor mijn generatie? Zijn ze volgens mij al eeuwen mee aan de gang. Na de middeleeuwen ondermijnde de opkomst van nieuwe functiesystemen de oeroude standenorganisatie en kon het individu zich gaan onttrekken uit de door geboorte bepaalde maatschappelijke positie. De Franse revolutie lijkt me een bevestiging van die ontwikkeling.

Aan de andere kant. Ik woon wel alleen, en twee weken geleden ging ik nog helemaal in mijn eentje naar de Hermitage. Die sociologen, die zijn zo stom nog niet. Want de generatie-ik, dat ben ik!

Bestaat er echt zo iets als een generatie?

Mijn vader was achttien tijdens de Summer of love. Die heb ik nog nooit een Beatles- of een Stonesplaat horen opzetten. In het belang van een vrije opvoeding vertelde hij een keer dat hij ooit een joint rookte. Werd ie een beetje misselijk van.