De goal van Tim Matavz was een goal namens ons allemaal

Het ene doelpunt is het andere niet. Het doelpunt van Stephan El Shaarawy gisteravond tegen PSV kon me nauwelijks schelen; het was een goeie kopbal na een goeie voorzet, gescoord door een geweldig talent voor een club met een verguld verleden. En toch: het deed me niks. Nul. Als mijn overbuurman met z’n biobak over de tegels ratelt, voel ik meer emotie.

El Shaarawy en AC Milan; ze hebben nauwelijks nog iets met de echte wereld te maken. Spelers van Milan leven in een reservaat van licht zwakzinnige superrijken, scheuren iedere ochtend naar een ander reservaat, namelijk de gemanicuurde velden van Milanello, waar een leger van trainers, coaches, artsen, medicijnmannen, fysio’s en zielenknijpers hen in optimale conditie moeten zien te houden.
Spelers van AC Milan dragen abstracte kunst op het hoofd en noemen het een kapsel.
Spelers van AC Milan rijden in ruimteschepen en beweren dat het een nieuw model Ferrari is.
Spelers van AC Milan hebben meer mooie vriendinnen dan ik wist dat er überhaupt mooie vrouwen bestonden.

Goofy op doel
Het zijn nooit de werkelijke topvoetballers die in hoog tempo lijken te veranderen in steenrijke stripfiguurtjes; het zijn zij die net niet goed genoeg zullen blijken, of zij die helemaal geen echte mensen zijn. Mario Balotelli – geweldige speler, maar bestaat hij wel echt? Boateng lijkt me ook een fictief figuur, net als Abbiati, in wie je met een beetje goede wil de menselijke variant van Goofy kunt herkennen.

Daarom was ik ook zo gelukkig met het doelpunt van Tim Matavz. Tim Matavz is met afstand de sufste voetballer die ik ken. Zijn gezicht verraadt een chronisch gebrek aan emotie, in zijn ogen staat de desinteresse van de dagelijkse wietgebruiker te lezen. Voetballen is werk voor Tim Matavz, een vreugdeloze, contractuele afspraak waar hij zich aan dient te houden. In het geheel ziet hij eruit als iemand die op dinsdagmorgen op station Weesp staat te wachten op de trein. Ademwolkje uit zijn mond, vervaald colbertje om de schouders, aktetas met een appel, een stuk ontbijtkoek en de helft van de Volkskrant in zijn hand.

Zelfs in een cruciale wedstrijd in de Champions League maakt Tim Matavz een ietwat desolate indruk. Zijn ledematen lijken kort voor het beginsignaal met elastiekjes aan zijn romp te zijn bevestigd, zijn haar heeft de soort out-of-bed-look waar je geen out-of-bed-look-wax voor nodig heeft. Om hem heen staan jongens die nog geen sterke drank mogen aanschaffen, maar kapsels hebben die Leco het water in de mond zouden doen lopen. Rekik, Bruma, Depay, Brenet; kerels zijn het, atleten. Maher, Jozefzoon, Bakkali; kunstenaartjes, ballerina’s in lichamen van staal. Zelfs doelman Jeroen Zoet is een meisjesmagneet, in elk geval in vergelijking met die licht gedeprimeerde voorhoedespeler die daar eenzaam heen en weer hobbelt, als een man wiens hond is weggelopen.

Station Weesp
In de tweede helft scoorde Tim Matavz de cruciale 1-1. Hij was blij, blij op de manier waarop de man op Station Weesp blij is als hij om tien over vijf op Amsterdam Centraal staat te wachten op de trein die hem terug zal brengen naar Weesp.
Vreugde om het werk dat er weer op zit.
Daarom kon het doelpunt van El Shaarawy me ook zo weinig schelen: hij is een belachelijk getalenteerde popster. Die dragen hanenkammen, die maken doelpunten, vanzelfsprekend.

Tim Matavz niet. Zijn goal was de gelijkmaker namens alle doodnormale mensen. Een doelpunt van een niet-voetballer namens ons, alle niet-voetballers die vanochtend weer op een station stonden te kleumen.