De kater op zondagochtend

Zondagochtend. De kat, Lucifer, zit naast mijn hoofd. Hij heeft al een paar keer door mijn haar gewoeld. Met zijn ruwe tong mijn ogen wakker proberen te kussen. Het is eigenlijk zondagmiddag. Zondagnamiddag. De buurkinderen rennen boven mijn hoofd. De bovenbuurkinderen zijn alweer bijna moe.

Ik geef de kat zijn eten. Zelf heb ik weinig eetlust. Vroeger had ik katers. En heel veel eetlust. Tegenwoordig ben ik de dag erna wat onverschilliger. Verder heb ik nergens last van. Ik heb geen honger, inderdaad, maar dat zie ik als een voordeel.

Tijd
De gesprekken van de dag ervoor herhalen zich in mijn gedachten. ‘Hoe lang is het nu geleden dat we namen?’ Ik zie het gezicht van mijn vriendin. Ze probeert na te denken. Het lukt haar niet. ‘Nog geen drie kwartier denk ik’, antwoord ik. Ik kan me niet herinneren dat we, in de tijd dat we veel dronken, op onze horloges bijhielden hoe lang het geleden was dat we ons laatste glas genomen hadden. Drinken doe je niet met beleid. Daar is het te alledaags voor.

Mijn bed is leeg
Ik ga terug naar bed. Niemand heeft me mee naar huis genomen, ik heb niemand mee naar huis genomen. Mijn bed is leeg. In de tijd dat we nog dronken was dat wel anders. Dan werd ik wakker en wist ik niet waar ik was. En zag ik iemand naast me die ik ook niet direct herkende. Mijn geheugen kon me niet verder helpen. Alleen een blik op mijn bankafschriften kon me vertellen waar ik geweest was. En hoeveel geld ik daar in een put gesmeten had. Maar namen kreeg ik niet. Ik kende veel schaamte in die tijd.

Mat
Mijn bed is leeg, mijn hoofd is leeg, mijn portemonnee zit nog vol geld. Water uit de kraan kost namelijk niets. Water uit de kraan is het enige dat ik tegenwoordig drink. Ik maak mezelf wijs dat ik gezonder ben. Ik houd dat vol, want er is weinig bekend over de langetermijneffecten.

De kussens lijken zachter dan normaal. Mijn moeder belt en vraagt wat ik doe. ‘Niets’, zeg ik.
‘Heb je weer te veel gedronken gisteren?’ vraagt mijn moeder.
‘Nee’, kan ik eerlijk antwoorden. Terwijl ik weet dat ik haar belazer.

‘Geen hoofdpijn dus?’ vraagt ze. ‘Geen hoofdpijn’, antwoord ik. ‘En geen zwarte gaten.’
‘Toch klink je mat’ zegt ze.

Ik hang zo snel mogelijk op. De kat komt weer naast mijn hoofd zitten. Met zijn ruwe tong likt hij over mijn gezicht. Mijn bed is helemaal niet leeg. Het is zondagochtend en ik word overladen met liefde. En zijn naam ben ik niet eens vergeten.