Sorry, Stijn

Gistermiddag zat ik met een vriend op een terras. We dronken bier, de zon scheen, we keken naar haastig voorbijfietsende Utrechters en spraken over voetbal en de naderende vakantie. En verder was er ook even niks aan de hand.

Plotseling draaide die vriend zich naar me toe, keek me in de ogen en zei: ‘Ik ben gespannen.’
‘O,’ zei ik, niet erg enthousiast, want gespannen vrienden zijn zelden goed nieuws voor de conversatie.
‘Gespannen voor vanavond.’
Een etentje met schoonouders, een VN-resolutie voor Syrië en een huwelijksaanzoek schoten op datzelfde moment door m’n hoofd.
‘Of ze het redden, bedoel ik, in San Siro.’
Het duurde even voor ik begreep dat hij het over AC Milan – PSV had, het van alle kanten aangekondigde inmaakpartijtje van de Brabantse keffertjes door elf doorgefokte Mastino’s.
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik ook.’

Schaars…
We spraken over PSV – hij weifelend, want hij is drukbezet en hardwerkend en lief voor z’n vriendin met wie hij een tv deelt; ik uitgesproken, want het is tenslotte m’n werk om de zaken scherp te stellen.
Hij was fan van het Nieuwe PSV. Was ik ook.
Hij had twijfels bij het nieuwe PSV. Had ik ook.
En plots hoorde ik mezelf, daar op dat lome dinsdagmiddagterras een verhandeling houden over de sterke en zwakke punten van een elftal dat ik nog geen enkele maal een hele wedstrijd aan het werk had gezien, alleen in samenvatting.

‘Aardige keeper, die Zoet. Maar geen topklasse. Wat is er eigenlijk mis met Tyton? Wat heeft die misdaan? Redelijke achterhoede, veel potentie, sterke jongens ook, maar wankel, heel, heel wankel. Die jongens moet je eigenlijk niet tegen Balotelli opstellen, da’s zielig. Wel een sterk middenveld, met die Wijnaldum en Maher.’
‘En Schaars,’ zei mijn vriend.
‘Schaars….,’ herhaalde ik en trok een gezicht alsof ik zag hoe even verderop iemand konijnen tegen een blinde muur stond te werpen. ‘Schaars, dat vind ik nou echt helemaal niks.’

‘Nee?’ vroeg mijn vriend, die vermoed dat ik er meer van weet dan hij omdat ik er toevallig over schrijf – een beetje alsof Marco Borsato meer weet dan wij over echte liefde omdat hij er vaker over zingt.
‘Ach man,’ zei de stellige columnist die soms in mij de overhand krijgt, ‘Die Schaars,… Al zou je ‘m gratis bij twee pakken melk krijgen. Het is niks het was niks en het zal nooit wat worden. Een meeloper, kijkt altijd naar de trainer of hij het goed doet.’

(Dat laatste heb ik uit een interview van ik-weet-niet-meer-wie. Toen ik het destijds las, nam het me voor Schaars in; ik keek zelf vroeger bij iedere goede actie eerst naar mijn vader, daarna naar de coach en vervolgens naar de rest van het publiek om te zien of ze wel hadden opgemerkt dat ik iets geslaagds had uitgevoerd. Maar nu was het plotseling een pracht van een argument ad hominem).

‘Toch een talent, ooit, Schaars,’ peinsde mijn vriend.
‘Heeft zich niet ontwikkeld,’ zei ik, terwijl ik me afvroeg hoe lang ik al geen hele wedstrijd van Stijn Schaars had gezien. Het moest jaren geleden zijn.
‘En laatst weer bij Oranje,’ dacht mijn vriend hardop.
‘Vol-ko-men ten on-rech-te,’ capslockte de stellige columnist naast hem.

Sorry Stijn
Het is nu ongeveer een halfuur na afloop van AC Milan – PSV. Balotelli was imposant, Maher kleurloos, Zoet uiterst gedegen, Montolivo slim en Boateng angstaanjagend. Maar het meest heb ik genoten van Stijn Schaars, die in anderhalf uur mijn reputatie als voetbalspecialist op tenminste een Utrechts terras aan gruzelementen speelde. Voortaan zal ik mij onthouden van commentaar op spelers die ik al zeker drie jaar geen hele wedstrijd heb zien spelen. Beloofd.
En bij deze: sorry, Stijn.