Een septembermiddag, warm en licht

“Wat een mooie dag”, schreef hij me, en daarna, achter de dubbele punt die erop volgde: 

Les sanglots longs
/des violons
/ de l’automne
/ blessent mon cœur
/ d’une langueur 
monotone.

Hoewel ik middenin een drukke winkelstraat stond toen deze woorden op mijn scherm verschenen, voerden ze mij meteen naar een geurig bos, waar het bladerdek al vage sporen van geel, rood en bruin vertoonde. Dat hij een snaar had geraakt, beantwoordde ik zijn bericht, en geen dichter het nazomergevoel beter in taal heeft weten te vangen dan Paul Verlaine. Hij was de Franse meester der melancholie, en dat is precies het sentiment dat me bekruipt wanneer ik door deze dagen wandel. Nog steeds proef ik zomer, maar de natuur liegt nooit: boven de weilanden ruien kieviten hun veren ter voorbereiding van de najaarstrek, en spinnen vertellen ons kalenderloos dat het opnieuw september is.

Het mooiste woord dat ik ken om deze periode van het jaar aan te duiden is ‘oudewijvenzomer’. Het begrip stamt uit de Germaanse mythologie, waar noodlotsgodinnen wevend het spinnen van de menselijke levensdraden uitbeeldden. Misschien werd die daad net met deze periode verbonden omdat de zwanenzang van de zomer ons tegelijk herinnert aan de eindigheid van het leven. Het seizoen dat we het meest koesteren ligt op sterven, en dat doet ons beseffen hoe mooi het is geweest. Of zoals Passenger zingt: Only miss the sun when it starts to snow, Only know you love her when you let her go.

Wie te laat weet wat een geliefde heeft betekend, kan het tij nog proberen te keren, maar de zomer is, eenmaal voorbij, niet meer te heroveren. Dat is wat de nazomer ons doet inzien, en daarom bespeur ik in september bij veel mensen een gevoel dat van ons allen dichters maakt: dat van de zoete melancholie. Het is de reden waarom we meer dan anders opmerkzaam zijn voor de ochtendnevel, of voor een langzaam neerdwarrelend blad dat onhoorbaar zingt dat die mooie zomer (ah, je dacht dat er geen einde aan kon komen) alweer voorbij is.

In mijn meest melancholische nazomerherinnering is het 1989. Ik ben acht jaar, de eerste schooldag van het derde leerjaar is achter de rug, en ik zit naast onze cementen regenwaterput waarop honderden rode kleine beestjes heen en weer kruipen. Volgens mijn vader heten ze ‘spinten’ en laten ze zich alleen zien wanneer de zon genoeg warmte geeft. Ik draag een lichte trui met een afbeelding van een skateboardende Mickey Mouse en vecht tegen mijn tranen omdat de vakantie ten einde is. Net op dat moment komt mijn moeder naar buiten met een dessertbord waarop voor mij en mijn zus een Zebra-cakeje ligt. Ik haal het uit het gekartelde witte vormpje, en hoewel het niet mag van mijn moeder, schraap ik met mijn tanden de kruimeltjes weg die nog aan het papier kleven, als een voorproever voor het echte festijn. Troost heette toen: de nazomerzon, mijn moeder en het cakeje.

Vierentwintig jaar later is de nazomer net zo zacht, al verdrijf ik de melancholie nu niet langer met cakejes, maar beleef ik ze ten volle met deze verzen van Verlaine:

En wat jij hebt aan zorgen kan niet meer zijn dan
Het spel van een stel zwaluwen tegen de lucht,
Liefste, op een septembermiddag, warm en licht.