‘Golfen is inmiddels vele malen dodelijker dan rijden in de Formule I’

Drank, drugs, dames en de dood – daar draaide het om bij de Formule 1-racerij in de hedonistische  jaren zeventig. De levensgevaarlijke titanenstrijd tussen de Britse playboy James Hunt en de koele Oostenrijker Niki Lauda is nu het onderwerp van de meeslepende speelfilm Rush. HP/De Tijd blikt terug met Jan Lammers én, in een exclusief gesprek, met Lauda zelf.

Italië, 1978. Jan Lammers, dan een 22-jarige Formule 1-coureur in spe, heeft tijdens de Grand Prix van Monza net zijn handtekening gezet bij de racestal van Shadow, als hij en zijn nieuwe bazen besluiten om nog even naar de start te lopen. Ze willen het afvlaggen van dichtbij meemaken. Altijd spectaculair.
“Het was ongedwongen toen,” herinnert Lammers zich als we hem spreken op het racecircuit van Zandvoort, zijn natuurlijke biotoop. “Ik had bijvoorbeeld net letterlijk tussen de olieplasjes in het motorhome het contract ondertekend en we konden gewoon zo naar de racewagens lopen.”

Brullend gaan de bolides van start. Maar nog geen vijfhonderd meter verderop, in de bocht, rijdt Ronnie Peterson zich dood. Lammers: “Ik had net het meest euforische moment van mijn leven meegemaakt: ik mocht óók meedraaien aan de absolute top, de Formule 1. En dan, een paar minuten later, sterft een mooie coureur en een mooi mens. Het voelde zeer onwerkelijk.” Toch, ongewoon was het niet: in die jaren komen er van elke 25 GP-rijders gemiddeld twee per seizoen om het leven. Sterke body’s van koolstof en andere veiligheidsvoorzieningen, zoals ABS en stabilisatiecontrole, zijn nog lang geen gemeengoed.

“Met het risico om te overlijden was ik niet bezig,” zegt Lammers, die tot 1982 in de F1 uitkwam. “Als jij op een rechte weg honderd rijdt, focus je je ook niet op die boom langs de kant, ook al weet je dat je een botsing ermee niet overleeft. Ik kon het verdringen, door mijn passie voor het racen. Het is een cliché, maar je denkt altijd: dat gebeurt mij niet. Bovendien, langs de afgrond heb je het mooiste uitzicht.”

In het bijkans uit massief marmer opgetrokken Hotel Imperial in Wenen zegt Lammers’ oud-collega Niki Lauda tijdens zijn exclusieve tête-à-tête met HP/De Tijd over dit best saillante sterftecijfer: “Tja, de kans van circa twintig procent om te overlijden kon ik wel accepteren. De Formule 1 was in die tijd natuurlijk een macaber spel. Ik had zelf geen ontzag voor de dood, omdat ik achter het stuur altijd het gevoel had dat ik intens leefde, zo op het randje tussen leven en dood. Maar onnodige gevaren op het circuit, daar had ik totaal geen zin in.”

De Hollywoodfilm Rush, die in en vooral búiten de pits terugkijkt op het F1-circus in die levensgevaarlijke jaren, schetst raak hoe Niki Lauda (perfect vertolkt door Daniel Brühl uit Inglourious Basterds) een coureursstaking van de grond probeert te krijgen, omdat hij een verregende Nürburgring te link vindt om op te racen. Maar de privé-persoon Lauda blijkt niet al te populair en krijgt dan ook nauwelijks collega’s mee. Dus gaat de Grote Prijs van Duitsland 1976 gaat gewoon van start, ondanks de hoosbuien…

Lees in HP/De Tijd van deze maand het volledige artikel van Jan-Henk Zandberg. Koop hem in de winkel of sluit hier een abonnement af.

Jan-Henk Zandberg