Ik had het je gegund, Ajax. Echt.

Anticlimax. Zelfst.nw. Meervoud: -en. Een slot waar je je veel meer van had voorgesteld. Voorbeeld: “De wedstrijd Ajax-AC Milan eindigde in een ontzettende anticlimax.”
Gisteren zag ik de tweede helft van Ajax-AC Milan, na thuiskomst van een etentje in een Duits restaurant. Met een buik vol Schweineschenkel keek ik naar een wedstrijd die me nauwelijks de moeite van het bekijken waard leek, maar ik bleef kijken, want ik kon me niet meer verroeren.

SportItalia 24
Ik voel me met Milan verwant, dit seizoen. Dat komt zo: drie weken lang bivakkeerde ik deze zomer in Italiaanse hotels en bed & breakfasts, en de nieuwste mode in Italiaanse hotels en bed & breakfasts is het in de hoek planten van een onbehoorlijk grote televisie met een digitaal abonnement, inclusief BVN TV – zodat je ook op die lome zomeravonden in Venetië geen aflevering van Knevel & Van den Brink hoeft te missen – en alle sportzenders waarvan je niet wilde weten dat ze bestonden.
Een daarvan was SportItalia24, dat feitelijk bestond uit één programma, CalcioMercato, dat af en toe werd onderbroken door opgewonden nieuwsbulletins waarop je live kon meebeleven hoe Mario Gómez (spits van Fiorentina) naar het ziekenhuis werd vervoerd met een op het oog ernstige blessure.

CalcioMercato werd elke dag gepresenteerd door een ander nieuw meisje. Al die presentettes deelden vier dingen: lang, blond haar, een stralende witte glimlach, een afkeer van overvloedige lichaamsbedekking, en een hersencel. Het enige wat zij hoefden te doen was af en toe het volgende discussieonderwerp in de camera te balken, waarna een panel van vier nietszeggende kerels in identieke kostuums zich het hoofd mocht breken over stellingen als ‘Kaká is niet de Kaká van vijf jaar geleden’ en ‘Bologna heeft nog veel werk te verzetten’.

Veel van die stellingen en discussies gingen over Juventus, de enige Italiaanse club die nog iets voorstelt. (Zo is Inter bijvoorbeeld in nauwelijks drie jaar tijd van een trotse Champions League-winnaar een noodlijdend huurlegertje Zuid-Amerikanen geworden en wordt Kevin Strootman beschouwd als een van de beste buitenlandse spelers van de competitie – al kan dat laatste ook te maken hebben met de nationale voorkeur voor zeverende achillespeestrappers).

Af en toe ging het over Milan, en dan vooral over de nieuwe aankopen: Kaká – die als een soort nieuwe paus werd begroet – en Matri, een aanvaller van wie ik nog nooit gehoord had en wiens voornaamste claim to fame een appetijtelijke, van de tv bekende verloofde bleek. Verder bestond het team, voor zover ik dat in de talloze live uitgezonden oefenwedstrijden kon beoordelen – uit een kale hitman met keepershandschoenen, een handjevol tweederangs verdedigers, een briesende verdedigende middenvelder uit Amsterdam, een over het paard getilde Copacabana-goochelaar en drie uitstekende aanvallers aan wie meer dan één steekje los zat.
Niet echt een elftal om bloednerveus van te worden.

Ajax, een vriend in de kroeg
Toch leek Ajax gisteravond dolblij met 0-0, tenminste in die helft dat ik ze voorzichtig over het veld zag schuiven, zoals een man met een enorme plank door een winkel met duur servies. De 1-0 van Denswil – die ik minder vaak heb zien spelen dan Matri, maar dat gaat vast veranderen, want hij ‘heeft alles’ – leek op het soort cadeau dat je krijgt van een oom die na twintig jaar onverwachts op je verjaardag komt: ietwat overdreven en vooral: erg welkom.

Tot de 91ste minuut. Tot Mike van der Hoorn.

Ik gunde het Ajax, echt waar. Ik gunde het ze zoals ik het ze in lange tijd niet gegund had. Ik, met mijn aangeboren Ajax-allergie. Ik, met mijn hekel aan die vanzelfsprekende arrogantie die een residu is van de tijd dat Ajax nog iets voorstelde, op wereldniveau. Ik, met mijn eeuwige liefde voor de underdog.

Ik gunde het Ajax, ik gunde het Stefano Denswil, ik gunde het Siem de Jong en ik gunde het Jasper Cillessen. En iedereen die de wedstrijd heeft gezien – ook zij die Ajax uit gewoonte een kil hart toedragen – begrijpt waarom. Je kunt veel van Ajax zeggen, maar een sympathieke club is het niet – en toch was dat wat ik gisteravond voelde: sympathie. Als Ajax een man aan de bar van mijn stamcafé was geweest, had ik hem waarschijnlijk tot gister een onnozele blaaskaak gevonden, maar gisteravond zou ik plots een goed en liefdevol gesprek met hem hebben aangeknoopt en zouden we hebben afgesproken om een leven lang vrienden te blijven en onze zonen naar elkaar te vernoemen.

Zo’n avond. Dat je voelt dat het goed komt. Dat gerechtigheid gaat geschieden – en dan niet in de vorm van een gerechte straf voor een onbenulligheid van Mike van der Hoorn.
Toen Balotelli scoorde, voelde ik medelijden. Medelijden met Van der Hoorn, medelijden met Frank de Boer met z’n aandoenlijke vreugdesprongetje bij de 1-0, zelfs medelijden met willekeurige Ajax-supporters op Twitter, voor wie ik meestal vooral leedvermaak kan opbrengen.

Ach, Ajax, ik gunde het je, echt. Iedereen met een voetbalhart gunde het je. Gister wel. Helaas duren kroegvriendschappen meestal slechts één beschonken avond.