Marketingstunt Socialbesitas: what else is new?

We lijden weer aan iets nieuws, lazen we de afgelopen 24 uur in zowel de Volkskrant als de NRC: Socialbesitas. Herm Kisjes, eigenaar van een verslavingspraktijk, en journalist Mayke Calis schreven er een boek over. Een handboek voor ouders, opvoeders en docenten ‘die worstelen met het socialemediagebruik van hun ‘kinderen”. Kennelijk is het nodig: jongeren (tieners en twintigers) verliezen zich in social media. En dat is slecht. Conclusie van het boek: meer voorlichting en wellicht ook duidelijke richtlijnen. Voor wie dan?

Op de website van Socialbesitas staat een aantal prachtige termen: Phantom Vibration Syndrome (denken dat je telefoon trilt, terwijl dat niet zo is), Fear of missing out (de angst online iets te missen), Body Dysmorphic Disorder (je steeds lelijker voelen omdat iedereen zich online zo mooi presenteert) en mijn favoriet, No Mobile Phobia (bang zijn om zonder smartphone te zitten) zijn symptomen van deze social media-ziekte. Naar al deze fenomenen zijn studies gedaan, wetenschappelijk onderzoek dat ook is meegenomen in het verhaal van Kisjes en Calis.

Maar is Fear of missing out niet gewoon van alle tijden? Iedereen wil erbij horen, trendy zijn, de nieuwste gadgets bezitten en op de hoogte zijn. In the old days of radio, toen de televisie opkwam, de walkman, de discman, toen het internet toegankelijk werd voor de massa: de jeugd is er altijd als de kippen bij. En Body Dysmorphic Disorder wordt niet alleen veroorzaakt door de presentatie van anderen op social media, deze verstoring van de lichaamsbeleving bestond al ver voor de oprichting van Facebook.

En nu is er dan dus de smartphone en WhatsApp, het grote kwaad volgens de Socialbesitas-auteurs: sommige kinderen krijgen 600 berichten per dag. Oké, dat is wel een beetje veel; ga iets nuttigs doen, zouden wij zeggen. Maar we hebben het wel over een uitzondering, over ‘een klein groepje dat zich verliest in de social media’, aldus Kisjes. In de verslavingszorg is niemand in paniek. Tuurlijk, hartstikke vervelend voor die kleine groep, maar zoals de auteurs zelf al aangeven zit er vaak een dieper gelegen reden achter de ‘verslavingen’.

Als u het ons vraagt, speelt bij dit soort problemen de generatiekloof ons parten: kinderen groeien op met internet en smartphones en begeven zich daardoor behendiger en sneller op de social media en al het andere (moois of lelijks) dat internet te bieden heeft. En hun ouders kunnen het niet bijhouden. 

Is het niet een klein onderdeel van een veel groter probleem? Een voorbeeld dat de schrijvers noemen is dat van een meisje van 12 dat ’s ochtends tijdens het ontbijt op Facebook kijkt om te zien wat ze ’s nachts gemist heeft. Het teruglezen van al die berichten kost tijd, en ze wordt er moe van. Maar waar is dan die ouder die zegt: “Leg die telefoon weg”? Waarom moeten er richtlijnen komen van buitenaf? Is het niet een kwestie van teruggaan naar de basis van de opvoeding?

Natuurlijk moet jongeren hulp worden geboden voor die eeuwenoude problemen. Socialbesitas is een manier waarop die problemen zich manifesteren, en waarvoor (volgens de site van de bedenkers van deze term) al tientallen websites bestaan. De toevoeging lijkt vooralsnog de catchy naam waarmee Calis en Kisjes het onbegrip van ouders, opvoeders en docenten hip maken. Voor een eigenaar van een verslavingspraktijk zien we de voordelen van zo’n boek overigens wel. Aanmelden bij de kliniek van Kisjes kunt u dan ook hier doen.