Het einde van Dirk Bellemakers in 2013

Het eerste boek dat ik ooit van Herman Brusselmans las, was getiteld: Het einde van de mensen in 1967. Ik weet niet meer wanneer ik het las, niet waar ik me bevond en ook niet hoe oud ik was, maar ik weet nog wel dat ik er diep, diep van onder de indruk was. Na Het einde van de mensen in 1967 at ik mij gulzig een weg door Brusselmans’ oeuvre heen – tot ik er van de ene dag op de andere genoeg van had; een ervaring als die met Het einde van de mensen in 1967 had ik niet meer gehad.

(Hier volgt een bruggetje naar de wielerloopbaan van Dirk Bellemakers. Ho, pas op!… Dat was ‘m dus al).

Durk Belmeekers, Dirque Belmakèèèrs, Dilk Belmakels
Gisteren stopte Dirkt Bellemakers met wielrennen. Ooit – ik weet niet waar en wanneer (de Amstel Gold Race misschien?), en ook niet hoe oud ik was – hoorde ik zijn naam voor het eerst. Ik was meteen diep onder de indruk – van zijn stijl, van zijn aanvalslust en vooral van zijn naam.
Bellemakers is de perfecte wielernaam. Een naam die nog net uitspreekbaar is voor buitenlandse commentatoren (“Durk Belmeekers, Dirque Belmakèèèrs, Dilk Belmakels”), een naam die klinkt als een, ja, een bel dus. Een naam waarnaast je eigen naam verbleekt tot loze aanstellerij. Heette je maar Dirk Bellemakers, dan deed je vast niet het suffe werk dat je nu doet, en dan was je vriendin ook mooier en mochten je kinderen misschien wél naar het vmbo.
Wie Dirk Bellemakers heet en fietst, ligt eigenlijk iedere koers al meteen een minuut voor op de rest.

Maar hoe gaat dat, met voorsprongen voor eenzame koplopers: ze houden hoogst zelden stand. Wie nu, nu de carrière van Dirk Bellemakers officieel ten einde is, zijn erelijst bestudeert, kan niet anders dan vaststellen dat er geen Tourzege op te vinden is, geen Ronde van Vlaanderen en ook geen GP Jefke Scherens. Wel de Stadsprijs Geraardsbergen in 2008 en de Sint Elooisprijs in 2011. Het lijkt niet veel, maar win ze maar eens.

Diep onder de indruk
Het was nat in Lombardije gisteren. Nat en koud. Ik had het warm, want ik zat op de bank, bij de verwarming en dronk hete thee. Ik keek naar Thomas Voeckler, naar Alejandro Valverde en naar Joaquim Rodríguez. Ik keek naar Robert Gesink en naar Marcel Wyss, wiens broek eruitzag als het kloffie van een Dickens-personage.
Ik keek en keek en keek, maar nergens zag ik Dirk Bellemakers. Sinds ik een paar dagen eerder had gehoord dat Dirk er na deze wedstrijd mee zou kappen, had zich het vermoeden in mijn hoofd gezet dat hij deze Lombardia-aflevering weleens zou kunnen winnen. Op Twitter las ik dat iemands tante hem nog had zien trainen in Limburg – en dat het indrukwekkend was geweest. Tantes zijn niet gek, die weten dingen. En aan Dirks naam zou het ook al niet liggen.
Geen moment kwam Dirk Bellemakers in beeld. Het peloton dunde langzaam maar zeker uit, renners glibberden ravijntjes in, of sloegen rechtsaf, het parkoers af, richting het vliegveld en de vakantie.
Ik had de hoop op een glansrijk afscheid van Dirk Bellemakers al opgegeven.

Voorin versloeg Joaquin Rodríguez Valverde, en dat maakte van hem nu echt De Man Die Wereldkampioen Had Moeten Worden. Erachter werd gesprint, gevallen, gefinisht en afgezien.
De toeschouwers aan de streep verspreidden zich, verdwenen in bars en huizen met gesloten luiken.
Een team van werklui begon met het lospeuteren van de dranghekken.
De televisiecamera’s stopten met zoemen, de commentatoren gingen wijn drinken, de rennersbussen startten hun motoren. Weer een seizoen voorbij.

En toen, meer dan twintig minuten na Rodríguez en meer dan acht minuten na de veronderstelde nummer laatst in de koers, de Zuid-Afrikaan Louis Meintjes, kwam daar nog een figuurtje om de hoek.
Moederziel alleen.
Een lange, dunne jongen in een Lotto-shirt.
Dirk.
Voor de laatste maal rolde hij als professioneel wielrenner over een eindstreep.
Uitgefietst.
Ik herinnerde me alle keren dat ik ooit van iets of iemand onder de indruk raakte, en hoe dat gevoel na een korte periode altijd weer verdween.
Bij Dirk Bellemakers ging dat anders: die eerste keer, jaren geleden, was ik diep onder de indruk geweest, en daarna had ik heel lang niet meer aan hem gedacht. En nu, op de valreep, was ik het nog eens: diep onder de indruk.