De fonkelende ogen van Wilfried Martens (1936-2013)

Er zijn mensen van wie je denkt dat ze er altijd waren, en er ook altijd zullen zijn. Ze lijken als een blok graniet waar de grijpgrage klauwen van de tijd nooit vat zullen op krijgen, maar helaas kan geen mens op aarde de meest sluwe handlanger van de tijd, de dood, ooit verschalken. De Belgische premier Wilfried Martens leek zo’n onwankelbare rots, maar vanmorgen werd ik wakker met het nieuws dat hij is overleden.

Wilfried Martens was de premier met wie ik opgroeide. Hij werd eerste minister in 1977 en zou dat dertien jaar onafgebroken blijven. Keek ik als kind naar het journaal, dan hoorde ik de statige stem van Martens en zag ik zijn eeuwige grote bril, waarvan ik me vaak afvroeg of hij die ook ophield wanneer hij ging slapen.

Aan de bril van Wilfried heb ik een persoonlijke herinnering. Ik was een jaar of twaalf en erg geïnteresseerd in politiek, en dus kende ik algauw het zinnetje dat in bijna elk interview uit Martens’ mond kwam: ‘Dat is niet evident, hé!’ Die ‘hé’ sprak hij uit zoals alleen hij dat kon, waardoor een banaal stopwoord veranderde in een woord met gewicht en betekenis. Op een dag was ik bij mijn grootmoeder, wier oude leesbril sprekend op die van Martens leek. Ik zette ‘m op, vervormde mijn stem, declameerde ‘Dat is niet evident, hé!’, en vroeg mijn grootmoeder wie ik was. Ze schaterlachte en voorspelde dat ik ooit in de politiek zou gaan.

Martens had als politicus een rol van onschatbare waarde: in de hele Belgische geschiedenis heeft niemand meer regeringen geleid dan hij. Toch zijn het vooral de laatste jaren van zijn privéleven die me zullen bijblijven. Martens was een man wiens politieke strekking niet de mijne was, wegens christelijk geïnspireerd en conservatief, maar toen hij in 2008 een ongewone keuze maakte, ging ik de man anders bekijken. In 2008 trouwde Martens, na twee eerdere huwelijken, met politica en partijgenote Miet Smet.

In België was het een publiek geheim dat de twee in de jaren zeventig al een relatie hadden gehad en elkaars liefde voor het leven waren. “Het is een lange weg geweest, en over de tussenetappes wil ik niet te veel zeggen,” zei Martens daarover. Hij was uiteindelijk zeventig toen ze elkaar vonden; zij 65. Vaak verschenen ze samen op televisie, en nu ze openlijk over hun liefde konden praten, spatten de vonken van het scherm. In interviews noemde zij hem ‘Wilfried’ en ‘poesje’, en op dat moment fonkelden zijn ogen ietwat verlegen maar apetrots achter zijn onafscheidelijke brillenglazen. Zo wil ook ik oud worden, dacht ik toen: de zeventig voorbij zijn, maar nog steeds verliefd, en een passie uitstralend waar je jaloers op zou worden.

In het laatste interview van de premier, afgelopen zomer in het weekblad Knack, kwam de wankele gezondheid van de oud-premier ten sprake. “Laten we hopen dat ons nog tien jaar gegeven is.” zei Miet Smet. “Ik ben blij met iedere dag die we krijgen.”

Ze kregen geen tien jaar, maar slechts enkele maanden. Zo helder als de pretlichtjes in haar ogen waren telkens als de Belgische televisiekijker hen samen zag, zo duister zal het nu in de geest van Miet Smet zijn. Mijn grootmoeder, ook al iemand die nooit leek te zullen verdwijnen, had het mis toen ze voorspelde dat ik in de politiek zou gaan, want ik werd schrijver, maar in het is in die hoedanigheid dat ik Miet Smet een paar dichterlijke slotwoorden van troost wil geven:

Als ik doodga


hoop ik dat je er bij bent


dat ik je aankijk


dat je mij aankijkt


dat ik je hand nog voelen kan



Dan zal ik rustig doodgaan


Dan hoeft niemand verdrietig te zijn


Dan ben ik gelukkig.

(Remco Campert)

Dit is het beeld dat ik van Wilfried Martens zal bewaren: hij ging terwijl de liefde van zijn leven naast hem zat, en voelde haar hand, en voor de laatste keer het echte geluk dat liefde heet, en dat met de grote politiek zelden iets te maken heeft.