Erben Wennemars en de (schijnbaar) vergeefse strijd tegen de tijd

Vandaag loopt Erben Wennemars rond op een selectiedag voor het Holland Heineken House in Sotsji. Namens Randstad. Las ik op Twitter.
Ik zal er niet bij zijn – ik wil voor geen goud naar Sotsji en als ik mijn leven lang zonder ooit een Holland Heineken House te betreden, zou dat een prachtige meevaller zijn. Maar o, wat zou ik Erben graag zien lopen, vanmiddag, in een of ander bedrijfsgebouw met centrale verwarming, visgraattapijt en afvalmanden vol koffiebekertjes

Ik ben verzot op comebacks. Er zijn weinig dingen mooier in de sport dan de comeback. Of-ie nu lukt of niet: het wezen van de sport wordt het best gedefinieerd door de comeback.

De Oeya Oeya-boom
Meer dan wat ook is sport een ontdekkingstocht op zoek naar de grenzen van het lichaam, een tocht ondernomen door hen wier lichamen in complete bloei verkeren. Sporters op hun hoogtepunt zijn als de bos rozen die hier voor me op tafel staan: even, heel even kun je van hun schoonheid genieten, dan treedt onherroepelijk het verval in.
Sporters die het verval voelen, negeren het. Ze gaan harder trainen, beter eten, vroeger naar bed, ze wenden zich tot gebedsgenezers en mental coaches, tot driemaal daags een portie van de geprakte wortels van de geneeskrachtige Oeya Oeya-boom of het injecteren van verrijkt bloed van een drachtig gemzenvrouwtje uit de Andes.

Maar het verval laat zich niet stuiten; het dendert door als een zeepkist van een helling richting het kanaal.
Op een dag geeft de oude sporter de strijd op. Niet verslagen door zijn tegenstanders, maar door zijn eigen lijf.

De IJsselcup
In veel gevallen volgt dan een pensioen van een jaar of vijftig. Een perfect onderhouden lichaam dat nog een halve eeuw mee kan, maar wat moet je er mee?
Sport is boven alles de vergeefse strijd tegen het verval. Daarmee is een comeback maken zo ongeveer het meest sportieve wat je kunt doen. Je bent 37, je hebt de absolute top bereikt en je weet dat dat voorbij is. Het enige wat je nog rest, is ‘plezier’. Wat moet een mens met plezier? Een potje Monopoly is plezier, of karaoke met Louis Armstrong. Sport niet, toch niet voor wie sport ooit een halszaak was.

Dit weekend vond de comeback van Erben plaats, tijdens de IJsselcup – ook mooi, ‘De IJsselcup’. Je moet je comeback bij voorkeur maken in een wedstrijd als de IJsselcup, niet in de GP de Paris of de Hokkaido Open Championships. De IJsselcup herbergt precies die combinatie van regionale ontroering (‘IJssel’) en competitieve noodzaak (‘Cup’).
De regen viel als water uit een enorme gieter, de wind rukte aan het dak en Erben Wennemars schaatste. Hij werd vierde, mag zelfs meedoen aan het nationaal kampioenschap.
Wennemars reed geweldig.
Voor. Zijn. Leeftijd.

Wie hem ziet, weet dat Erben Wennemars zich nog niet heeft neergelegd bij het verstrijken van de tijd: hij staat nog altijd even strak. Wie hem hoort, begrijpt dat hij nog altijd probeert twee keer zoveel woorden als mogelijk in tien seconde te frommelen. Iedere sporter wordt altijd op de hielen gezeten door de tijd. Wat zeg ik: ieder mens.
Ieder mens, behalve Erben Wennemars. Hij zette zaterdag de tijd even stil, ging vervolgens in z’n slipstream zitten en ging in de laatste binnenbocht onderdoor.

Randstad
Wanneer je Erben vandaag tegenkomt, bij Randstad, of morgen, langs de ijsbaan of in de supermarkt, let dan niet op z’n keurige pak, z’n glimmende stappers of naar het bekertje koffie (espresso, gok ik, een dubbele) in z’n hand. Kijk in z’n ogen en zie: de ogen van iemand van 25.
Erben Wennemars gaat Sotsji niet halen – behalve misschien als commentator of Randstad-invite. Maar hij heeft gedaan waar nog nooit iemand in slaagde: de tijd eruit schaatsen.