Actief burgerschap is de oplossing

Korten op de zorg vraagt om een nieuwe vorm van burgerschap. Dat lijkt in ieder geval de boodschap van staatssecretaris Martin van Rijn met zijn ontwerptekst voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Aankloppen bij de overheid moet niet langer de eerste stap zijn. “Uitgangspunt is dat iedere ingezetene eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen, of wat hij voor een ander kan doen.” Actief burgerschap, heet dat principe.

De vroegste vorm van actief burgerschap kennen we van het Athene in de vijfde eeuw voor Christus. Met de burgerschapswet van Pericles (495-429 voor Christus.) kwam er een optekening van de formeel-juridische eisen voor het burgerschap van de Atheners, maar de polis dreef allerminst op alleen een statisch begrip met strikte afbakening. Voorbij het politieke en juridische vlak leek de samenleving op zich een belangrijkere rol te spelen. Burgerschap leek minder een status, zoals bij ons, waar men wel of niet voor in aanmerking komt, maar meer een manier van leven als onderdeel van de polis. In die trant moet burgerschap niet uitsluitend worden begrepen als een bundeling van rechten en plichten, maar meer als een vorm van vanzelfsprekende participatie, met meer overlapping tussen privésfeer en het publieke domein. Binnen die manier van denken is burgerschap in de eerste plaats een verwachting van de staat omtrent de burger in plaats van andersom.

De participatiesamenleving is geen uitvinding van staatssecretaris Van Rijn. En ook niet van het kabinet-Rutte I(I). Het stimuleren van actief burgerschap is al ruim vijfentwintig jaar een belangrijk onderdeel van het overheidsbeleid in de verschillende westerse verzorgingsstaten. De naoorlogse sociaal-democratie kost te veel geld, en daar moeten we vanaf.

In Nederland werkten vier kabinetten-Balkenende al eerder aan de Wet maatschappelijke ondersteuning. Speerpunten van deze ‘participatiewet’ waren, en zijn nog steeds, de herverdeling van de verantwoordelijkheden tussen centrale en lokale overheid, tussen overheid en burgers, en tussen burgers onderling. De kern van de wet houdt in dat zorg aanvankelijk de eigen verantwoordelijkheid van de burger is.

Het probleem van de uitvoering ligt in de eerste plaats in de manier van aanpak van de Nederlandse overheid. Zowel het kabinet-Balkenende als het huidige kabinet probeerden een hernieuwde vorm van burgerschap onder dwang tot stand te laten komen. Verplicht vrijwilligerswerk, zoals geopperd, kan dan ook geen oplossing zijn. Wanneer je actief burgerschap beschouwt als meer dan een bundeling van rechten en plichten, moet je de Nederlandse burger dus niet onder dwang proberen te overtuigen van het belang van de civiele transformatie.

De mentaliteit van het volk vormt echter een veel groter probleem. De hoedanigheid van het burgerschap ligt opgesloten in ons denken over burgerschap. Een Atheens burger was onderdeel van een gesloten groep waarin men op basis van gelijke deelname en zelf geschapen verwachtingen de eigen groep in stand hield. Het belang van de eigen groep was immens. Andere groepen, uit andere poleis, lagen altijd op de loer om binnen te vallen.

Echt actief burgerschap valt waarschijnlijk alleen te realiseren wanneer we onze samenleving reorganiseren tot een gesloten gemeenschap met een sterke collectieve identiteit die zwaarder weegt dan het individu. De kosten voor de zorg zullen drastisch dalen. Nationalisme, vreemdelingenhaat en oorlogszucht nemen toe.