Thomas Blondeau, de schrijvende kennis die je echt graag zag

Vorige week kwam ik Thomas Blondeau tegen in Café Schiller. We maakten een afspraak om binnenkort een afspraak te maken. Dat deden we al een paar jaar.

In 2010 besprak ik zijn tweede roman, Donderhart, in Vrij Nederland. De roman begon verschrikkelijk. Veel pathetiek rondom een nooit helemaal vergeten ex. Die een beroemde rockzangeres was geworden. Clichés, gezochte vergelijkingen.
Toen kwam de roman tot leven. Niet vaak heb ik een boek gelezen dat zo’n vlucht nam na een matig begin.
“Thomas Blondeau maakt een valse start,” schreef ik. En: “Zo rond twee derde van het boek kan de dreiging van alle kanten komen – en de verlossing ook. Blondeau maakt de paniek van een bedreigde wereldstad voelbaar, juist door die paniek te vermengen met Max’ persoonlijke ellende. Het is onduidelijk waar de één begint en de ander ophoudt, maar misschien is het wel daardoor dat Donderhart onder je huid kruipt.”

Iets later ontmoette ik hem op een feestje. Het is altijd vervelend om een schrijver tegen te komen die je net hebt besproken. Of ze zijn beledigd, of ze zijn dankbaar. Op beide houdingen is het lastig om waardig te reageren. Thomas had het fatsoen om de recensie amper te benoemen – je hebt het boek recht gedaan, zei hij. Daarna ging het snel over exen, relaties en andere drama’s.

De meeste schrijvers kom je trouwens überhaupt niet graag tegen. Of je ze nou besproken hebt of niet. Dat is niet erg.  Schrijvers moeten goede boeken schrijven. Ze hoeven niet onderhoudend te zijn, of zelfs maar aardig. Thomas Blondeau was van een zeldzaam soort: een schrijvende kennis die je oprecht graag zag. Die onderhoudend was en aardig. En die goede boeken schreef.

Een tijdlang schreven we allebei voor HP/De Tijd. We zagen elkaar op HP-borrels. Kwamen elkaar ook daarbuiten regelmatig tegen. Mailden af en toe. Het bleef bij korte correspondenties en lange kroeggesprekken. Afgesloten met die prettige formule: “We moeten gauw eens wat gaan drinken. En dit keer écht.” Prettig, want je geeft iemand het idee dat meer contact welkom is. Maar je legt je niet vast. Vaak weet je dat het er toch nooit van gaat komen, en dat is dan een opluchting voor beide partijen.

Ook in dat opzicht was Thomas een uitzondering: de nooit gemaakte afspraak, ‘gauw’ was iets om naar uit te kijken. “Nu heb ik het nog even heel druk,” zeg je tegen elkaar. “Maar daarna… daarna zien we elkaar zeker.”

Thomas zal gemist worden: hijzelf, zijn boeken, zijn stukken. Gemist door familie, vrienden, geliefden, collega’s. En door kennissen die hem oprecht graag zagen, en die ten onrechte denken dat er altijd wel een nieuwe ‘gauw’ of ‘daarna’ komt.