G’v’d’mme

Gistermiddag, even na het middaguur, begon mijn telefoon nerveus te rillen. Drie, vier sms’jes zeilden mijn leven binnen. Allemaal brengen ze hetzelfde onheil. Thomas Blondeau gestorven. Zomaar, omdat de willekeur geen grenzen kent.

Ik kende Thomas Blondeau niet zo goed. We begonnen tegelijk als HP-columnist: hij filosofeerde wekelijks met Jojanneke over mannen, vrouwen en alles wat er bij die twee komt kijken en ik schreef over sport. Op een verhitte zomerborrel, op een terras aan de Amstel, kende ik niemand. En niemand mij. Wel herkende ik verschillende mensen, van televisie of van de fotootjes die hun columns vergezelden.
Ik sprak niemand aan, koerste van en naar de bar, tot mijn consumptiemunten op waren en Thomas me aansprak.

Hij hield niet zo van sport, zei hij met zijn zachte, zekere stem, maar wel van mijn stukjes erover. En ik moest niet zo alleen blijven staan, dat was nergens voor nodig. Hij stelde me voor aan Arjen van Veelen, introduceerde me alsof hij me al jaren kende en ging achterover zitten.
We spraken lang, die avond. Op een zeker moment ging ik verzitten en tilde mijn plastic tuinstoel een paar centimeter naar achter. Een van de poten stond nu in het luchtledige naast de terrasvlonder. Met medeneming van een gevulde tafel klapten mijn stoel en ik achterover, het riet in.
Mensen schrokken en toen ik ongedeerd bleek, lachten ze.
Thomas zei slechts: “Dat was heel, heel goed.”

Dit stukje moet over sport gaan
Het rare met de dood is: je kunt je voornemen over iets anders te schrijven, maar dat  voornemen houdt geen stand. Hij neemt bezit van je denken, samen met de herinnering aan een handvol particuliere anekdotes, een enkel gesprek, een mooie e-mail en het besef van je eigen sterfelijkheid – want of je nu wilt of niet: als de eindigheid zich in je buurt meldt, betrek je dat altijd ook op jezelf.
Ik tenminste wel.
Dit stukje moet over sport gaan, daar zijn afspraken over. Over de dood in de sport misschien, die bestaat uit een blinde muur na een bocht, een plasje olie in een bocht, een rechtse directe op een zacht stukje schedel of een lichaam dat tot voorbij de uitputting gedreven is. Soms komt hij live op televisie.
Bloed of bewegingloosheid.

Opwinding in commentatorstemmen die plaatsmaakt voor iets onbestemds.
Sporters die sterven zijn altijd te jong. Ze krijgen een plaquette, een memorial en worden een donkere bladzijde in de sport die ze zo lief hadden. Het is die ogenschijnlijke gezondheid die met sport samenhangt, die bedrieglijke opgewektheid en die verrukkelijke onnozelheid van het hele gebeuren die de dood een soort groteske vergissing doen lijken.
De meeste sporters zijn al lang geen sporter meer wanneer ze doodgaan. Schrijvers niet, schrijvers zijn pas ex-schrijvers als ze niet meer leven. Hun woorden blijven achter, als wezen, maar ze zijn er nog, samen met de persoonlijke sporen die mensen in de herinnering van de ander achterlaten.

G’v’d’mme
Onmiddellijk na de Touretappe waarin de jonge Italiaan Casartelli zich in 1995 tegen een betonnen muurtje te pletter had gereden, werd de Nederlandse renner Erik Breukink bij de finish opgevangen door radioverslaggever Jeroen Wielaert.
“Heb je gehoord van het overlijden van Fabio Casartelli?” vraagt Wielaert.
“Godverdomme, g’v’d’mme.”
Dat dus.
G’v’d’mme.