De zwartepietdiscussie valt niet te ontlopen

Ik probeer de zwartepietdiscussie te ontlopen. Ik heb geen mening over Zwarte Piet. Als de mensen hun racistische feest willen vieren, dan doen dat ze maar. Ik wil in rust en stilte rimpelloos naar mijn dood toe drijven. Ik zit in een donkere kamer. Televisie, radio, internet en kranten al dagen ongebruikt. De donkerte doet me aan Zwarte Piet denken.

Ik open de gordijnen, loop mijn huis uit en draai de voordeur dubbel op slot. Mensenhoofden maken altijd verhalen, willen verbanden leggen en constructies maken. Er is een poëziemiddag in de stad. Ik houd niet erg van poëzie, maar ga er toch heen. Ik weet dat ik daar gratis drank kan krijgen. Zonder gratis drank zou de literatuur ten dode opgeschreven zijn.

In de straten van de stad bestrijden voor- en tegenstanders van Zwarte Piet elkaar met knuppels en roestige fietskettingen. Pepernoten, veren en zwarte schmink vliegen door de lucht. De herfst komt eraan, het gaat steeds harder waaien. Ik schiet wat steegjes in, langs mensen met priemende vingers die ‘Voor of tegen?! Voor of Tegen?!’ naar me roepen. Ik gebruik mijn oude truc en doe met openhangende mond of ik een verstandelijke handicap heb. Werkt altijd.

Ik bereik de winkel waar de poëziemiddag wordt gehouden zonder kleerscheuren.

Eigenaar Joshua geeft me gelijk een koud biertje. Ik neem een paar flinke slokken. Ik zie mijn vriend Lucas Hirsch en geef hem een hand. Hij zegt dat ik een koude hand heb. Ik zeg dat dat door het bier komt, dat hij eigenlijk mijn andere hand zou moeten schudden, die is zo warm als een pasgeboren konijntje.

Dichters Daan Doesborgh en David Lee Morgan treden op. Ze kennen bijna al hun gedichten uit hun hoofd en bewegen met hun handen en gezichten tijdens het voordragen. Naast het podium staat een mongool, die met zijn mongolenstem alle regels van de dichters herhaalt. Wellicht is het mijn schuld dat hij er staat. Door een verstandelijke handicap voor te wenden, heb ik hem wellicht aangetrokken. Het is een prachtige mongool, met een bloempotkapsel en een rode kabeltrui. Hij draagt een verwassen spijkerbroek en hippe laarsjes.

Ik sta tegen wat platenbakken geleund en neem kleine slokjes van mijn bier. Mijn maag rommelt. Een meisje zit naast me, op een stoel. Ze zit precies op de goede hoogte. Ik heb het meisje eerder gezien, toen had ze een hond bij zich. Ik weet niet waar de hond nu is.

Ik vraag haar of ze last heeft van mijn rommelende maag. Ze kijkt me aan. Ik zeg dat ik sinds kort ben opgehouden met eten, dat mijn maag daar soms tegen protesteert, maar dat mijn maag vanzelf stopt met protesteren wanneer ik hem negeer. Ik neem een slok bier en hoor mijn maag rommelen.
Het meisje zegt iets tegen me. Ik versta: “Kijk maar uit dat je geen aids ontwikkelt dan.” Ik zeg dat ik verstond dat ze zei: “Kijk maar uit dat je geen aids ontwikkelt dan.” “Eetstoornis,” zegt ze, “ik zei eetstoornis.” Ze zegt dat ze mijn maag niet hoorde. Ik zeg dat ik te dik ben om een eetstoornis te ontwikkelen.
Daan Doesborgh draagt een gedicht voor over zijn ontmoeting met Tom Waits. Hij doet Tom Waits erg goed na. Daarna draagt Amerikaan David Lee Morgan een gedicht voor over Santa Claus, en over hoe de wereld eigenlijk zou moeten zijn. Hij laat het gedicht vooraf gaan met wat opmerkingen over Zuwarte Pete. Hij zegt dat hij zich niet met onze zaken wil bemoeien, maar dat hij het wel zou weten.
Poëzie probeert het te winnen van de realiteit, maar de realiteit is een smerige kleine atoombom.