Hoogleraar Paul van der Heijden waarschuwt: vast arbeidscontract gaat kopje onder

Dinsdagochtend pleit de Leidse hoogleraar internationaal arbeidsrecht Paul F. van der Heijden voor een grondige herziening van ons denken over arbeidsverhoudingen, arbeidsrecht, sociale zekerheid en pensioen.

Hij bouwt de discussie op rond de kosten van arbeid samenhangend met het vaste arbeidscontract.

Uit de periode dat ik zelf werkgever was, herinner ik me mijn stelling: “Je verdient te weinig maar je kost te veel.” In die paar woorden kun je nog steeds de huidige problematiek van de arbeidsmarkt tot uitdrukking brengen. We hadden allebei gelijk als we zeurden, werknemer én werkgever. Sinds die tijd, alweer een jaar of tien geleden, is de situatie alleen maar erger geworden, voor de werkgever. En als resultante óók voor de werknemer.

Ik zal dit ogenschijnlijk rechtse praatje voor u proberen te duiden.

Toen ik destijds die woorden gebruikte, was het al zo dat de kosten voor de werkgever maandelijks ongeveer het dubbele waren van het bedrag dat de werknemer netto ontving. Die redenering kon ik één op één onderbouwen door loonstrook naast de aangifte loonbelasting en de nota’s – toen nog – van de bedrijfsvereniging en pensioenverzekeraar te leggen.

Sindsdien zijn daar nog verplichte scholing en twee (!) jaar doorbetaling bij ziekte bij gekomen. Ten laste van de werkgever.

Terug naar Van der Heijden. Aan de hand van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek laat hij twee dingen zien. Enerzijds wordt het arbeidsdebat gedomineerd door flexwerken, tijdelijke contracten en het groeiend aantal zzp’ers. Anderzijds is de realiteit dat nog altijd 69 procent van de werkzame beroepsbevolking een vast contract heeft. Tien jaar geleden was dat nog 75 procent, en langer geleden 80 procent. Onder jongeren is de trend nog steiler. En het zet door: vertrekkende babyboomers met een vast arbeidscontract worden opgevolgd door jongeren met tijdelijke contracten. Als ze al worden opgevolgd.

Er zitten meerdere, overwegend nare kanten aan onze huidige inrichting van de arbeidsmarkt. Jongeren worden belemmerd door ouderen met een vast contract. Onze concurrentiepositie, internationaal, wordt er niet beter van zolang arbeid duur is en blijft. Er zijn voor werkgevers meer redenen om een werknemer niet dan wel in vaste dienst te nemen.

Persoonlijk vind ik het meest wrange dat in het denken one size fits all dominant is. het overgrote deel van ons bedrijfsleven bestaat uit mkb-bedrijven. Die sector blijkt ook altijd de groeimotor te zijn. Hoe moet een kleine mkb’er in godsnaam de kosten dragen van het gedurende twee jaar doorbetalen bij ziekte? Wie bedenkt zoiets?

Ik citeer Van der Heijden: ”De wal keert het schip’ en “Het systeem gaat ten gronde.”

De discussies over hervorming van een arbeidsmarkt die nota bene in grote lijnen in 1944 door de Duitse bezetter werd ontworpen, duurt veel te lang. Verleg het accent in de belastingheffing van arbeid naar consumptie, gooi het ontslagrecht op de schop en de crisis is voorbij. Werknemers krijgen netto aanzienlijk meer en gaan weer consumeren. En werkgevers durven vaste contracten weer aan omdat de financiële risico’s bij ontslag beperkt zijn. Daar hoeven werknemers helemaal niet het slachtoffer van te zijn want, zoals gezegd: andere werkgevers nemen je ook sneller weer aan.