Ode aan Marcel van Roosmalens ode aan Theo Bos

Gisteren zat Marcel van Roosmalen in een Utrechts café-restaurant. Dat weet ik, want ik was er ook. Wat heet: ik had ’m uitgenodigd.

Iedere eerste zondag van de maand organiseren mijn vriendin en ik een quiz over literatuur in datzelfde café-restaurant. We willen het iedere maand vol krijgen, wat niet altijd eenvoudig is. Want mensen die niets van literatuur weten, komen niet en zij die er wel wat van weten, vrezen af te gaan.
Sinds kort nodigen we literaire gasten uit.
Dat helpt. Het café-restaurant zit nu iedere maand vol. Mensen gaan kennelijk liever af onder het toeziend oog van een bekende schrijver. Wat dat betreft is deelnemen aan een literatuurquiz niet veel anders dan lijden aan een ernstige ziekte; het gaat beter als er iemand met verstand van zaken in de buurt is.

Een ode
Onlangs publiceerde Marcel van Roosmalen Het is zoals het is.
Geen biografie over Theo Bos, benadrukte hij steeds.
Meer een portret.
Beter: een ode.
Theo Bos speelde vijftien jaar in het eerste elftal van Vitesse, en Marcel van Roosmalen zat in het gure stadionnetje Nieuw Monnikenhuize met een paar duizend anderen geduldig te wachten tot de club eindelijk eens uit het drijfzand van de Eerste Divisie op de kant zou klimmen. Eerst met zijn vader, maar die ging niet meer nadat hij in de wedstrijd tegen Cambuur (1-5) van een tribune viel.
Taa-tuu, taa-tuu, zongen de Vitessefans toen meneer Van Roosmalen met de ambulance werd afgevoerd.
Die humor.
Volgens de overlevering was het Theo Bos die de Vitesse-clubarts op de gevallen fan wees.
Veel later hoorde Marcel van Roosmalen op dezelfde dag dat ze allebei ziek waren, zijn vader en zijn jeugdheld.
Kanker.

Goed boek
De quizvragen waren gebaseerd op Marcels literaire voorkeuren.
Na iedere ronde zouden Marcel en ik de antwoorden doornemen, en zou ik hem vragen waarom-ie sommige boeken zo mooi vond, en andere niet.
Ik: “De reportages van Arnon Grunberg, zijn die een inspiratie?”
Marcel: “Nou… Neuh..”
Ik: “De volgende vraag gaat over Laurent Binets HhhH. Goed boek?”
Marcel: “Ja. Goed boek.”

Trut
Wat doe je als je jeugdheld je vraagt een boek over zijn leven te schrijven?
Dan knijp je je handen dicht en zeg je ja.
Maar wat doe je als diezelfde jeugdheld je te eten uitnodigt, vertelt dat hij – nog geen vijftig – niet lang meer te leven heeft en dat er een boek over zijn leven moet komen?
Een boek met humor.
Een boek met zijn hoofd op de kaft.
Een boek dat hem beschrijft zoals hij was.
Wat moet je dan? Wat is wijsheid?
Het doet er eigenlijk niet toe: je zegt toch ‘ja’.
Terwijl Theo Bos zijn wisse dood tegemoet wandelde, liep Marcel van Roosmalen een stuk met hem op. Hij volgde hem, van zijn eerste controles in het ziekenhuis tot de finale momenten:

“We liepen terug naar de parkeergarage.
Theo: ‘Je maakt wel wat mee, hè? Voor het boek.’
Ik: ‘Ja. ponsplaatje kwijt.’
Vijf minuten later vond hij het ponsplaatje. Het lag in het dashboardkastje, het was een raadsel hoe het daar was gekomen.
De receptioniste reageerde opgelucht. ‘O, meneer Bos, ik ben zo blij dat u uw ponsplaatje gevonden hebt. Ik had er een rotgevoel over.’
‘Omdat ik Theo Bos ben?’
‘Ja, ik had mijn vriend al ge-sms’t, dat ik u had moeten wegsturen.’
‘Wat zei hij?’ vroeg Theo.’
‘Nou, gewoon. ‘Trut’.’”

Niet vreselijk komisch
Het is wat het is is bepaald geen typische voetbalbiografie: er komen geen coke, geen drank en geen siliconentieten in voor. Zelfs in de verte is er geen paaldansclubje te bekennen.
Theo Bos woonde in Arnhem. Hij hield van voetbal. En van bami. Het was een fijne kerel. Je zou kunnen zeggen: ‘gewoon’. Maar dan wel: bijzonder gewoon.
Het is niet eens een biografie. Het is wat het is is een prachtig stuk muziek op een instrument dat Marcel van Roosmalen al jarenlang als geen ander bespeelt: de reportage.
Hij beschrijft wat hij ziet, hij noteert wat hij hoort. Vaak is dat vreselijk komisch, omdat veel dingen in het leven nu eenmaal vreselijk komisch zijn.
Tot je vader en je jeugdheld doodziek worden, sterven.
Dan valt er even niets meer te lachen.

Bier
Later die avond strandden we in een café.
De vriendin van Marcel, mijn vriendin, Marcel en ik.
We dronken bier.
“Nu schrijf ik nooit meer iets over Vitesse,” zei Marcel.
Ik knikte. Dat had ik hem al vaker horen zeggen.

Meer leuke content? Like ons op Facebook