Wanneer ben je een schrijver?

“Ik kom je tegen! Collega-schrijver. Goede reis,” schreef een dichtende collega in mijn exemplaar van zijn nieuwe bundel, net voordat ik aan mijn lange reis begon. Nog meer dan de gelukswens was ik in mijn nopjes met dat ‘collega-schrijver’. Het voelde als erkenning van wat ik graag zou zijn: schrijver. Was mijn collega bij het communicatiebureau nu ook mijn vakgenoot op een ander gebied? Was ik met de erkenning van een professioneel nu echt schrijver?

Wanneer ben je een schrijver? Alleen het daadwerkelijk de pen ter hand nemen is uiteraard niet genoeg. Een boodschappenlijstje of geeltje op de computer van je collega maakt je nog geen schrijver. In Nederland wordt de vraag ‘wie ben je?’ – met name door mannen – nog weleens verstaan als ‘wat doe je?’. Of eigenlijk ‘wat doe je voor de kost?’. Na het noemen van onze naam bevestigen we onszelf als chirurg, media-analist, vrachtwagenchauffeur, installateur of schrijver. Soms identificeren we ons – vooral vrouwen – ook nog als ouders van een x aantal kinderen. Maar onze professie is een belangrijk deel van hoe we ons presenteren aan anderen. De commodificatie van het zijn: je bent dat waar je voor wordt betaald.

Als ik op de wie-ben-je-vraag ‘voetballer’ zou antwoorden, verwacht mijn gesprekspartner dat ik in mijn levensonderhoud voorzie door te voetballen in stadions. Met voetballer bedoelen we ‘profvoetballer’. In het gunstigste geval ben ik, en zeker niet primair, een amateurvoetballer. Al dan niet met het adjectief ‘matig’ ervoor. Je wordt pas voor een vakman aangezien als je de huur, verzekeringspremies en boodschappen van deze arbeid kunt betalen. Met uitzondering van ‘hoer’; die status kun je als vrouw ook vergaren door in een kort rokje door een migrantenwijk te lopen.

Schrijvers vormen een vreemde tussencategorie. Zij worden niet voor schrijver aangezien voordat er geld in het laatje wordt gebracht, maar dat hoeft ook weer niet zoveel te zijn dat ze ervan kunnen leven. De belangrijkste maatstaf om het schrijverschap te verwerven, is nog steeds het publiceren van een boek. Niet de schone woorden, prachtige metaforen of diepzinnige overdenkingen, maar een gelijmde omslag en een wervende tekst op een achterflap maken een mens schrijver. Internet is geen noviteit meer, maar online heten schrijvers nog steeds bloggers, of als ze mazzel hebben columnist. Vooral de eerste term lijkt bedoelt te zijn om een onderscheid te maken tussen ‘amateurs’ en ‘profs’. Bloggers zijn hobbyisten. Sukkelaars die dankzij de technologische ontwikkeling toevallig een podium hebben gekregen. Waarom zouden deze sukkelaars geen schrijvers zijn? Hoezo is schrijver een beschermd beroep geworden, terwijl dat wettelijk toch echt niet zo is?

Waarom zouden we ons sowieso niet voorstellen aan de hand van datgene wat we het leukst vinden om te doen in plaats van datgene wat ons in staat stelt de rekeningen te betalen? Mijn bewondering gaat uit naar mensen die zich schrijver, kunstenaar of danser noemen terwijl ze niet (of slechts ten dele) als zodanig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Als mij gevraagd werd wie ik was en wat ik deed, antwoordde ik met mijn functietitel. Schoorvoetend voegde ik daar aan toe dat ik columns schrijf. Maar waarom je schamen voor dat wat je het leukste vindt, al levert het financieel (nog) niet genoeg op?

Mijn naam is Tim, ik ben schrijver, voetballer en de komende maanden toerist in Zuid-Amerika.