Het NK Tegenwindfietsen

Een dezer weken vindt een nogal wonderlijk kampioenschap plaats. Het NK Tegenwindfietsen. Ik ontving er gistermiddag een mailtje over. Onder embargo, ook dat nog.

Afzender van het mailtje was Pola Zijlstra, van PR-bureau exPRtease.
In de mail bevonden zich een persbericht, een NK Tegenwindfietsenreglement en een link naar de trailer, alsof het een grootse speelfilm betrof.
Als ik nog vragen had, moest ik het maar laten weten!
Ik opende het reglement.
Vragen genoeg.

Windkracht acht in een weiland, op weg naar school
Regel 1: ‘Het NK Tegenwindfietsen 2013 wordt gehouden drie dagen nadat de wedstrijdorganisatie Het Signaal geeft: ‘We kriehen sturm!’
Kriehen? Sturm?
Regel 2: ‘De race vindt plaats op de Oosterscheldekering in een door de wedstrijdorganisatie aangewezen richting over een traject van 8,8 km.’
Als ik het goed begreep – zonder hulp van Pola Zijlstra – had een woordspelerig pr-bureau van de meest gruwelijke aller bezigheden op een fiets een NK gemaakt.
Wie wel eens met storm tegen over een dijk heeft gefietst, weet dat Tourrenners ten onrechte moeilijk doen over de Mont Ventoux en Alpe d’Huez.
Windkracht acht in een weiland, van huis naar school – dat is pas fietsen.
Ik werd langzaam enthousiast.

Tegenwindfietsen is wielrennen voor de Heel Groten. Niet de betrouwbare, tot op de centimeter uitgetekende stijgingspercentages van een Alp zijn de tegenstander, maar de verraderlijke, onberekenbare wind, die soms even gaat liggen als om je in slaap te sussen en je dan plots weer naar achter drukt, alles wat kan wapperen laat wapperen en het melkzuur door je aderen laat kolken.
Ik werd nog wat enthousiaster.

(‘De race wordt uitsluitend gefietst op een door de wedstrijdleiding in bruikleen gegeven oer-Hollandse Gazelle-herenfiets; zonder versnellingen, met terugtraprem.’)
Geen mecaniciens. Geen weging om uit te maken of het karretje de minimale 6,7 kilogram weegt.
Geen versnellingen.
(‘Alleen variaties met de bandenspanning zijn toegestaan’)
(‘Moderniteiten als toeclips of andere trapper-schoenverbindingen zijn ongeoorloofd’)
Geen racestuur.
Rechtop de storm tegemoet.
Alleen (‘Huisdieren zoals sledehonden zijn niet toegestaan op het wedstrijdterrein’).
Geen beschutting.
De wind die fluitend van je wint.
Stayeren is voor mietjes.
Rugtas onder de snelbinders.
Nog vijftien kilometer.
Stoempen.
Je rug wordt het eerst nat.
Daarna je oksels.
Tenslotte je zitvlak.
Je doet je jas open, terwijl je moeder je dat nog zo verboden heeft. De wind blaast je verhitte lijf kilte toe.
De trappers worden almaar zwaarder, alsof je door mul zand rijdt.
Alsof iemand ze terugduwt. Wat eigenlijk ook zo is.
Nog harder rijden en je wordt misselijk.
(‘Braken mag. Mits niet over andere deelnemers en bij voorkeur in de daarvoor aangewezen vomit-area.’)
Nog voor de tweede van zes boerderijen spreek je je noodrantsoen aan.
Een energybar.
En nog een.
Placebo’s in een wikkel.
(‘Alle stimulerende middelen zijn toegestaan, als je tenminste bereid ben het spul te delen met andere deelnemers en/of de organisatie. In verband met de hygiëne liever geen bloedtransfusies op het wedstrijdterrein’)
Je hebt ‘m nooit mee
Niet afstappen.
Niet afstappen.
Nooit afstappen.
Wie afstapt, stapt nooit meer op.
Proberen met je bovenlichaam op het ritme van de wind te wiegen.
Lukt niet; de wind doet niet aan ritmes.
Nog een kilometer dan sla je linksaf.
Dan heb je ‘m half mee, in theorie.
Alleen in theorie.
Want op het moment dat jij de bocht neemt, neemt de tegenwind dezelfde bocht.
Achthonderd meter: weer links.
Wiskundig gezien heb je ‘m nu mee.
Weer tegen.
Straks, vanmiddag, rijd je het hele stuk nog eens, in tegengestelde richting.
Je gaat ‘m weer tegen hebben.
Je weet het dan nog niet, maar je bent aan het trainen voor een kampioenschap dat vele jaren later door een pr-bureau zal worden georganiseerd.
Op school bevrijd je je tas van de snelbinders.
Ergens onderweg is je passer uit het zijvak gevallen.