Echte mannen herken je aan hun gereedschap

Het begon met een telefoongesprek. Ik belde mijn zoon (uitwonend student):

– Hoi jongen, hoe is het?
– Goed hoor mam, ’k heb een rustig dagje, straks effe naar de bouwmarkt hier in Diemen.
– Ga je klussen?
– Nee joh, ik loop gewoon wat rond. Beetje kletsen met mannen over welke hamer nodig is voor welke klus. Mannendingen. Je weet wel. Wist jij mam, dat er een knipper in de vorm van een gigantische geodriehoek bestaat die alléén te gebruiken is als plintenknipper? Die je dus maar eens in de twintig jaar gebruikt?! Wie koopt er nou zo’n ziek ding???
– Ik denk dezelfde mannen die contouren van gereedschap op de muur van hun schuur
tekenen. Waar ze het gereedschap na gebruik netjes in terughangen. Net zo lang schuiven tot het precies binnen de lijntjes valt.
– Haha.
– Hinnik.
– Zeg mam, ik hou je voor de gek, hè. Ik bedoel, ik ga echt geen halve dag sneu door een
bouwmarkt sjouwen. Ik verzin het allemaal maar, hè? Je kent dat wel.
– Ja, dat ken ik wel.

Mannenwereld
Mijn gedachten gingen automatisch terug naar vroeger. Mijn vader nam me vaak mee naar de Gamma. De bouwmarkt bevond zich op een afgelegen industrieterrein. De reis ernaartoe had zodoende iets spannends, ik was op weg naar een mysterieuze wereld. Een wereld vol baarden (we spreken hier over de jaren zeventig), overalls, gereedschap en testosteron. Ik vond het wel stoer, samen met mijn vader in de Citroën Break op weg naar die grote Mannenwereld.

Echte mannenapparaten
Vijfendertig jaar later is de Gamma nog steeds een mannenwereld. Dit wordt al direct duidelijk bij binnenkomst, waar zich de verhuurafdeling bevindt. Achter de brede balie worden apparaten verhuurd voor Echte Mannen. Geen flauwe schroefboormachientjes. The real deal. Stampende megamachines die niet zomaar in elke boerenlullenauto passen. Op de parkeerplaats van de bouwmarkt wordt het verschil duidelijk. Echte klussers hebben auto’s met afgetrapte (dus niet gehuurde!) aanhangers, pick-uptrucks met modderstrepen of ongewassen, oude stationcars waar ze wijdbeens naartoe lopen of net wijdbeens uit stappen.

De mannen met fijne handjes en glimmende middenklassers hebben hier niets te zoeken. Zij komen waarschijnlijk alleen voor een lampje, hebben hulp nodig bij het uitzoeken daarvan en lopen schichtig, zich bijna verontschuldigend rond.

Superklusser
De échte man daarentegen doet alsof de place van hem is. Rechtop, opgewekt fluitend, elke medewerker groetend die hij tegenkomt, kortom, hij is in zijn element. De bouwmarkt als zijn natuurlijke habitat. Hij zou er het liefst de hele dag verblijven, liefdevol de gasbetonblokken bekloppend. Deze man vraagt nooit iets aan een medewerker. Voor hem heeft geen enkele klus geheimen. Hij tovert gangkasten in no time om tot folderbadkamers en legt in één weekend vloerverwarming aan in zijn zelfgebouwde blokhut. Hij trekt met een stalen gezicht de grootst mogelijke bouwmaterialen uit de bouwmarkt en sleept dit alles met lange aanhangers naar zijn hol, waar vrouw en kinderen hem onder luid applaus opwachten.

Ik ben niet zo’n fan van de superklusser. Ze zijn handig hoor, maar dat applaus waar ze zo van houden, daar ben ik niet erg goed in. Daarbij weet ik uit ervaring dat handige klussers niet noodzakelijkerwijs behendige minnaars zijn, ondanks hun brede arsenaal aan gereedschap. Daarvoor moet je dan waarschijnlijk toch bij die fijnbesnaarde handjes zijn?