Het verhaal van Cristiano Ronaldo, La Grande Bellezza en twee koppen pompoensoep

In Utrecht viel de schemer in. Mijn vriendin roerde in een reusachtige pan soep, de kat van de buren verschanste zich voor de deur van de muizenrijke voorraadkast en ik deed de waxinelichtjes in de houdertjes.Het beloofde een vredige avond te worden.

Borgen
“Wat gaan we vanavond doen?” vroeg mijn vriendin, terwijl ze met lange halen de soep heen en weer bewoog. “We kunnen naar de film.”
“Niet zo’n zin,” zei ik.
“We kunnen ook naar het café. Lekker, samen. Praten.”
“Niet zo’n zin.”
“Wil je lekker thuisblijven?”
“Ja.”
“Dvd’tje?”
“Hmmm.”
Borgen?” (We zijn halverwege seizoen twee – precies op het punt waar de scenaristen onherroepelijk in herhaling beginnen te vallen).
Ik zweeg. In mij had de hele dag al het verlangen liggen wellen om een avondje in alle eenzaamheid, langdurig en apathisch naar een fijne voetbalwedstrijd te kijken. Misschien, als ik besloot mezelf echt te trakteren, nam ik er wel een glaasje bier bij.
Je leeft tenslotte maar een keer.
Terwijl ik wat onverstaanbaars mompelde en hoopte dat ik het gesprek in mijn zwijgzaamheid kon laten vastlopen, hoorden we geroep vanaf de straat.
“Hallo! Hallo!”
Ik herkende de stem, maar kon hem niet onmiddellijk thuisbrengen.
Nog eens: “Hallo! Hallo!”
Die stem… Dat dwingende…
Opeens wist ik het.

Pompoensoep
“Ga eens kijken wat er is,” zei mijn vriendin, terwijl ze de soep met gulle hand in twee joekels van schalen goot.
“Het is vast een junk,” zei ik. “Of een alcoholist. Of een alcoholistische junk.”
(Wij wonen in het centrum – dit was kortom een min of meer realistisch scenario).
“Zo klinkt-ie niet,” zei mijn vriendin. “Misschien een pakje, of iemand die ons heel veel geld wil geven.” (Wij wonen in het centrum van een redelijk grote stad – dit was kortom een volstrekt onzinnig scenario).
“Waarom belt-ie dan niet aan?” vroeg ik.
“We hebben niet eens een bel,” antwoordde zij. “Kijk nou gewoon even.”
Ik liep naar het raam en zag wat ik had gevreesd.
“Frank! Frank!” klonk het nu, in een wonderlijke mengeling van opluchting en ingehouden agressie.
“Wie is het?” vroeg mijn vriendin. “Een van onze vrienden?”
Ja, dacht ik. Zo zou je het kunnen zeggen.

Tien minuten later zaten we met z’n drieën aan de keukentafel.
Mijn vriendin, ikzelf en Cristiano Ronaldo.
We aten soep.
En we zwegen.
“Wat vind je van de soep?” vroeg mijn vriendin op een gegeven moment.
Ik humde, Cristiano zei niets en lepelde verder, alsof hij bezig was een record te vestigen.
“Misschien…” begon mijn vriendin, terwijl ze met driftige bewegingen haar stokbroodje met biologische houmous bemetselde, “misschien…”
Verder kwam ze niet.
“Misschien kun je de volgende keer even bellen,” hielp ik haar.
Cristiano Ronaldo keek ons aan, pakte de soepschaal met twee handen aan de zijkanten beet en slobberde het laatste restje pompoensoep naar binnen.
“Lekker,” zei hij en gaf de kat van de buren, die onder de tafel in slaap was gevallen, een vriendschappelijke trap.
“Ken je Borgen?” vroeg mijn vriendin.
“Is er nog soep?” vroeg Cristiano.

Een kwartier later sloeg mijn vriendin de deur achter zich dicht met een kracht die deed vermoeden dat ze voorlopig niet terug zou komen.
Ze ging naar de film, La grande bellezza, ik hoefde niet te weten met wie en ik moest zeker niet voor haar opblijven. Zei ze.
Alle soep was op.
Dat had Cristiano Ronaldo gedaan.
Nu lag hij languit op de bank (mijn bank), keek naar de televisie (mijn televisie) en nipte van een espresso (zijn espresso – uit mijn espressoapparaat).
Op het scherm stonden twee elftallen in het gelid voor de volksliederen.
Hij stond er zelf ook tussen.
Toen het Portugese volkslied werd gespeeld, bleef Cristiano Ronaldo op mijn bank liggen. Het enige wat hij deed was zijn kopje in de lucht steken en vragend zijn wenkbrauwen optrekken.

Een man met een paardenstaart
Het is nu half twaalf op vrijdagavond.
Om mij heen liggen de verpakkingen van zeker vier raketijsjes, een koffiekopje en twee lege flesjes Jupiler.
De bank ruikt doordringend naar eau de toilette, maar dat zal wel slijten.
Toen hij tien minuten voor het einde in Lissabon de winnende goal scoorde, stond hij op, ging voor het raam staan en salueerde.
Twee gasten van het café aan de overkant zwaaiden vriendelijk terug.
Daarna ging hij weer zitten.
Onmiddellijk na afloop van de wedstrijd (Portugal 1 – Zweden 0) klonk er weer geroep vanaf de straat.
Een grote man met een neus met een bocht erin en een paardenstaart riep “Come down, come down!” terwijl hij een voorbijganger aan zijn oor trok.
Het volgende moment was Cristiano Ronaldo verdwenen, de deur uit, de nacht in, de grote man achterna.
Hij had zijn tweede biertje nog niet op.
Nu wacht ik geduldig tot mijn vriendin terugkomt en als ze dat doet, zal ik haar voorstellen om dinsdagavond gezellig samen de stad in te gaan.