Rechtszaak van journalisten (NVJ) tegen Plasterk is een farce

Boeiend dat Ronald Plasterk voor de rechter moet verschijnen om over de NSA te babbelen. Maar niet goed dat journalisten een minister dagen.

Zette recent de radio aan, was daar ineens de stem van Brenno de Winter, die uitlegde waarom hij meedoet aan de actie eigen Plasterk. Hij sprak ook namens de NVJ, de journalistenbond waarvan ik actief lid ben.

De NVJ vindt dat ze zich met de vereniging Strafrechtadvocaten, Stichting Privacy First en de Internet Society kan tooien met het predicaat ‘Burgers tegen de Staat’. Ik vrees dat de bond de weg kwijt is. De andere bond waar ik me meer toe aangetrokken voel, die van de onderzoeksjournalisten, schaart zich godzijdank niet onder ‘Burgers tegen de Staat’.

Journalisten moeten volgens mij geen actievoeren, maar de macht controleren en met de barre feiten confronteren. Nota bene Brenno de Winter, in 2011 Journalist van het Jaar dankzij de fameuze onthullingen van Lektober. Veel online gemeentebestanden waren zo lek als een mandje. Knappe journalistiek.

Bij uitgerekend Brenno wint de emotie het van het gezonde journalistieke principe, met een gammele argumentatie tot gevolg. Hij zou de eerste moeten zijn om te onthullen hoe de AIVD/MIVD met de NSA omgaat. Niet eenvoudig, maar de weg van de minste weerstand is die van de stap naar de rechter.

Op de eerste plaats is het datagebruik van de de AIVD niet zo’n groot geheim. Het principe staat in de wet sinds 2002 en is beschreven in de vele rapporten van de toezichthouder CTIVD. Er zijn twee soorten uitwisseling van de diensten: met bevriende diensten zoals NSA en CIA aan de ene kant, met de politie/recherche aan de andere kant.

In principe kan een diender van de gemeente Ede bij een concrete verdenking dus telefoniedata van Brenno de W. van de NSA opvragen van gesprekken gepleegd in het buitenland met de VS. Nederlandse metadata zijn hier direct toegankelijk, voor de politie met een gerechtelijk bevel en voor de inlichtingendiensten met een geheim ambtsbericht.

Al eind juni schreef ik dat een verklaring van minister Ronald Plasterk over Prism tot misleidende berichten door serieuze media als NOS, NRC en Elsevier leidden. Ze slikten het ‘niets aan de hand’ van Plasterk voor zoete koek. Er stond namelijk: Nederland kan wel gebruik maken van data van de NSA verzameld met Prism.

Het euvel is nu dat de NSA, volgens een onthulling van Snowden, van 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken de data over gesprekken – tijdstip, wie er belden en hoe lang – verzamelde. Dit mag niet volgens de Nederlandse wet, dat is evident. Zo veel concrete verdenkingen zijn er niet.

Echter, er zijn twee ‘maren’: het aantal is relatief weinig: ruwweg zo’n 1 promille van het totaal: per maand wordt gemiddeld 100 minuten gebeld op de 19 miljoen mobiele en 250 minuten op de 7 miljoen vaste aansluitingen. Zouden dat grofweg 1,8 miljoen gesprekken zijn?

Wat er in de VS zelf wordt getapt aan metadata van Nederlandse Skype en Google Hangout-gesprekken is een veelvoud, om nog maar niet te spreken van de miljarden Gmails die we rustig onversleuteld blijven versturen met een kopietje voor de NSA. Omdat het ons geen bal uitmaakt. Privacy bestaat niet in ons gedrag.

Echter, dan nog is die 1,8 miljoen, gedurende een korte periode december 2012 -januari  2013 waarschijnlijk genoeg om te spreken van een sleepnet. Want zoveel concrete verdenkingen, bijvoorbeeld van drughandel van de familie Bouterse zijn er niet. Sleepnetmethoden zijn – nu nog – verboden

De tweede ‘maar’, en dat is beroerder: het is onbekend hoe de data zijn verkregen. Telefoonbedrijven moeten ze bewaren en verstrekken aan de recherche of AIVD bij een concrete verdenking. Maar die 1,8 miljoen data. Zijn ze gehackt door de NSA? Heeft de AIVD of politie geholpen? Ging het gewoon om internationale gesprekken waarvan de data in de VS zelf of een bevriend buitenland zijn verkregen?

Nu proberen de aanklagers kennelijk via een rechtszaak een antwoord op die vraag te krijgen. De dagvaarding vordert een verklaring van Plasterk en dat Nederlandse en Europese wetten zijn overtreden, gevolgd door een gebod daarmee op te houden en ten derde om personen waar die telefoniedata over gingen op de hoogte te stellen in het kader van de privacywet.

Ik denk dat Plasterk zich terecht niet druk maakt om deze zaak. Het wordt niet aangetoond dat de AIVD deze telefoniedata met toestemming van Plasterk heeft gebruikt, hij kan dus er weinig tegen doen. Bovendien vallen geheime diensten niet onder die informatieplicht van de privacywet.

Niettemin krijgt Plasterk het wel voor de kiezen als binnenkort – waarschijnlijk via NRC Handelsblad – data van Snowden over Nederland openbaar worden. Dat kan brisant materiaal opleveren over de JSF en de PvdA bijvoorbeeld. Of zelfs wellicht nog over de Fitna-zaak waarmee het kabinet en de terrorismebestrijding zich in de nesten werkten. Om nog maar niet te spreken van industriële spionage, bijvoorbeeld gericht tegen Philips en TomTom.

Alhoewel, het curieuze van dat hele NSA-schandaal tot nu toe is dat er inhoudelijk van al die opgeslagen data niets is uitgelekt. Wat dat betreft doen de diensten het goed. We moeten wel weten hoe lang ze data vasthouden. Dat komt niet uit een rechtszaak.

En dat lijkt me de juiste weg voor journalisten: openbaar maken, confronteren en de gevolgen afwachten. Naar de rechter stappen? Niet doen!