Over kutboeken en godenschrijvers

Ik schrijf dus ik lieg. In mijn poëzie is dit niet erg, dat begrijpt toch geen hond, wat eigenlijk best raar is want ik schrijf geen woord Frans. Daarbij klaagt nooit iemand dat moderne kunst onbegrijpelijk is, sterker, er gaan desondanks miljarden in om. Poëzie is net zo onbegrijpelijk, kost niks en je kunt het aan de muur hangen. Kat in het bakkie zou ik zeggen.

Als ik proza schrijf krijg ik nooit klachten, ‘hoe gekker hoe beter’ lijkt daarvoor te gelden, maar sinds ik columnist ben komt niemand meer tijdens verjaardagen of in de kroeg spontaan naast me zitten om domme verhalen over me uit te storten, bang als ze zijn dat alles die week erop verdraaid valt terug te lezen op HP/DeTijd. Terecht overigens.

Gedichten moeten rijmen en Murakami is god
Laatst was ik op een verjaardag. Een kennis had in een krant gelezen dat ik een goede dichter was. Verrassend goed zelfs, grappig, hilarisch, en dat allemaal voor de prijs van één. Daar wilde hij meer van weten en was naar de boekhandel gerend. Verwachtingsvol had hij in de krappe poëziecorner mijn gedichtenbundels opengeslagen. ‘En,’ vroeg ik, ‘wat vond je er van?’ De visite keek mij treurig aan, hij was duidelijk diep teleurgesteld. ‘Je gedichten rijmen niet!’ Hij spoog de woorden woedend uit over mijn nette visitekleren. ‘Er staat teveel seks in en ze slaan nergens op!’ Hij keek getergd uit het raam en mopperde dat hij het kon weten, hij las namelijk veel. Zo had hij laatst nog Bonita Avenue van Peter Buwalda gelezen. Dát was pas een boek. Ik zei dat ik Bonita Avenue een kutboek vond. Het staat al een jaar ongelezen in de kast hoor, maar ik vond dat de situatie een statement verdiende. Ik deed er nog een schepje bovenop en zei dat alle boeken van de wereld kut waren, behalve die van Haruki Murakami.

Ik denk stiekem al jaren dat Murakami god is. Laatst zei iemand, je zou Murakami zeker graag eens ontmoeten, maar ik moet er niet aan denken. Goden moeten in hun hemel blijven. Ik vond eens een handtekening van hem op Marktplaats. Er zat een konijn in. Soms kijk ik er naar. Maar nooit lang.

Rare verzoeken
Toen de verjaardag was afgelopen ging ik naar huis en belde mijn geliefde, meneer K. Daarvoor moest ik eerst een hijgende man in een latex pak uit de heg trekken want sinds ik een column over kinky seks schreef denkt men dat ik daar schreeuwende behoefte aan heb en krijg ik de raarste verzoeken. Ik zeg tegen iedereen die mij lastig valt dat meneer K naast begenadigd kunstenaar vechtsportbeoefenaar is en de zwarte band in Taekwondo heeft. Voor je het weet hang je driedubbel-gedraaid-en-geknoopt aan het plafond van zijn atelier. En daar is geen woord van gelogen.

Kutboek
Meneer K zei overigens dat ik mij niet zo moest opwinden. Ik kon er beter een column over schrijven en Bonita Avenue was inderdaad een kutboek. Net zoals De jacht op het verloren schaap van Murakami. Toen hing ik boos op.

Dichter Johanna Geels beschrijft de absurdistische en poëtische kant van de dagelijkse dingen.