Tien jaar eenzaamheid

In het bos maakten alleen de langzame voetstappen van een oude man hun knisperende geluid over de bladeren waarmee de dreef was bezaaid. Ik had een paar rondjes gelopen en zat op een bank. De man keek mij aan. Ik keek terug. Zijn hond blafte en wilde dichterbij komen. De man trok aan de leiband. Hij glimlachte. “Allez, Bruno, kom, mevrouw zit uit te rusten, hè mevrouw?” Ik knikte en zei iets over het koude weer. De man bleef nog even dralen en vervolgde zijn weg.

We hadden amper twintig woorden gewisseld. Misschien ging de man straks een leeg huis binnen, en zou hij vanachter het raam de avond zien vallen, en was zijn dag alleen maar dit geweest: een wandeling in het bos, waar hij één vreemde had ontmoet met wie hij een gesprek van twee zinnen had gevoerd.

Terwijl de bladeren uit de lucht bleven vallen, dacht ik aan de Rotterdamse vrouw die, zo werd vorige week bekend, tien jaar lang dood in haar woning heeft gelegen. Zoals ik me de oneindigheid van het heelal niet kan voorstellen, kan ik me evenmin de eenzaamheid voorstellen die van de muren van haar huis moet hebben gedropen toen ze stierf. De vrouw had een dochter die twintig jaar geleden voor het laatst contact met haar had gehad. Ik probeer in gedachten binnen te dringen in die Rotterdamse woning, met daarin een kamer, en daarin een bed, en daarin een vrouw, die, zoals elk mens in stervensnood, zal hebben gehunkerd naar de warmte van een hand, of naar de troostende deining van een sussende stem. Maar er was niemand. De klok zal hebben getikt. Straatgeluiden zullen een laatste keer naar binnen zijn gedrongen, en een ademhaling zal hebben gestokt, waarna een oneindige stilte van tien jaar werd ingeluid. De dood begon meteen aan zijn genadeloze afbraakwerk, waarvan niemand in de buurt iets merkte. Voor de bureaucratie ging het leven cynisch genoeg verder: dankzij een automatische overschrijving werd de huur van de vrouw tien jaar lang keurig betaald.

Zoals bij elk tragisch verhaal schuilt ook hier de gruwel in de banale details: de dochter herkende op het Journaal de gordijnen van het huis van haar moeder en trok naar Rotterdam. Ze wilde al jaren geen contact meer, zegt de dochter. Haar moeder was gesloten, want ze leed aan een oorlogstrauma: ze bracht haar kind ter wereld in Nederlands-Indië en leed er onder de ontberingen van de Japanse bezetting.

Wat misschien nog schrijnender is dan de breuk tussen moeder en dochter, waarvan we de werkelijke oorzaak nooit zullen kennen, is dat de buren tien jaar lang niets hebben gemerkt. Een onderbuurman vertelde aan een krant dat de vrouw de gewoonte had om elke ochtend de duiven te voeren. Dat maakte hem ’s ochtends wakker, en daarom deed hij een briefje in de bus, met de vraag om de duiven later op de dag te voeren. Weer sta ik in gedachten in de woning van de vrouw, en zie ik hoe ze elke ochtend tegen de duiven spreekt, want mensen, die haar vandaag ‘een eenling’ noemen, deden niet langer de moeite om te praten: een vraag werd vervangen door een briefje. Dezelfde buurman zag de voorbije tien jaar af en toe een envelop uit de brievenbus steken, maar die duwde hij er gewoon weer in. “Ik hoef niet te weten of er veel of weinig post ligt,” zei hij daarover.

Van de ruim 4,1 miljoen 65-plussers in Nederland, zo leert onderzoek, voelen bijna 200.000 mensen zich extreem eenzaam. Zij krijgen maar één keer per maand bezoek. Ruim 200.000 ouderen (tien procent van de ouderen) in Nederland zit tijdens de feestdagen zonder bezoek.

In het bos werd het donker, en ik dacht aan de man met zijn hond. Misschien was hij niet eenzaam en wachtte thuis zijn vrouw, maar misschien was hij het wel, en had ik me dus schuldig gemaakt aan verzuim. “Niemand is een eiland dat op zichzelf staat, maar een stuk van het vasteland, een deel van het geheel,” schreef de Engelse dichter John Donne in de zeventiende eeuw. Helaas lijkt de mens vandaag steeds meer op een eiland, en zullen we dus nog vaker verhalen horen over mensen die alleen de tikkende klok horen wanneer ze sterven.

Een windstoot deed de boom waarnaar ik keek rillen. Herfstbladeren dwarrelden naar beneden. Ze vielen op de koude, natte grond. Ze vielen – maar ze vielen niet alleen.