Zo gaat dat: werken voor je uitkering

Je vraagt een groep studenten of ze hun fiets in het rek willen zetten. Je lacht er vriendelijk bij. De helft lijkt niet eens gehoord te hebben dat je iets zei en loopt door. Een jongen zegt dat je niet zo moet zeuren. ‘Kutmarokkaan’ noemt hij je en hij spuugt op de stoep. Je denkt: Marokko ligt nog dichter bij Nederland dan van waar ik vandaan kom. Je kijkt de andere kant op. Jullie schouders raken elkaar als hij passeert.

Je stampt met je voeten op de grond tegen de kou. Je duikt wat dieper weg in de kraag van je jas. Achterop de jas staat: fietscoach. Het is een warme jas. Dat wel.

Op het kantoor zegt de mevrouw dat je in je handen mag knijpen dat er in Nederland zo goed voor jou en je gezin wordt gezorgd. Dat daar best iets tegenover mag staan. Dat begrijp je. Echt, zeg je, ik ben echt heel blij. Je zegt dat je alleen zo graag het werk zou doen waar je in je eigen land voor bent opgeleid. “Ingenieur,” stamel je. In mijn land was ik ingenieur. De mevrouw die jouw formulieren invult kijkt je nu voor het eerst aan, ze moet hard lachen. De andere mensen op het kantoor, weggedoken achter hun computers, ook.

Een meisje zegt dat ze het begrijpt en haalt haar fiets, die ze tegen de boom had gezet, van het slot. Ze vraagt of je haar tas even vast wil houden, je knikt, je pakt het ding aan en hangt het over je arm. Het meisje zet haar fiets in het rek. Ze heeft haar fiets roze met blauw gespoten. Eerstejaars, denk je. Rechten misschien. Als het meisje haar fiets weer op slot heeft gezet klinkt de ringtone van haar telefoon. Ze neemt op en pakt zonder je aan te kijken haar tas van je arm. Je draait je om en kijkt door de ramen van de bibliotheek naar binnen. Je ziet jonge mensen. Ze lachen. Ze leren moeilijke dingen.

Je denkt aan het televisieprogramma waarin staatsecretaris Klijnsma van Sociale Zaken sprak over haar wetsvoorstel. Dat uitkeringstrekkers best een nuttige bijdrage aan de samenleving mogen leveren. Je vond dat ze gelijk had.

De conciërge van het gebouw zegt dat je je handen uit je zakken moet halen. Hij geeft je een kop koffie. Hij zegt dat een actieve houding belangrijk is. Je knikt. Je recht je rug. De koffie is lauw.

Je denkt aan de mensen die op televisie geïnterviewd werden over het wetsvoorstel. Je hoorde een man met een klein hondje zeggen dat het werkelijk goed nieuws was. Eindelijk een goede regel, zei hij, afmatten die hap. Een mevrouw bij een parkeerautomaat zei dat alle bijstandstrekkers luie flikkers zijn.

Je denkt aan je zoontje en hoe je hem vanmorgen afzette voor school. Je zei dat je het brood in het voorvak van zijn tas had gedaan. Dat hij goed zijn best moest doen vandaag. Dat het echt belangrijk is dat hij goed zijn best doet.

Tijdens tentamentijd zijn er te weinig rekken. Te veel fietsen. Twee rekken vormen samen een L. Je sleept een van de rekken naar de muur. Je bekijkt het resultaat. Je hebt vier plekken meer gecreëerd. Je bent tevreden.

Vorige week dinsdag werd je uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Er was een vacature als beveiliger op het vliegveld. Maar je kon niet. Van maandag tot en met woensdag sta je voor de bibliotheek, dan ben je fietscoach in ruil voor een uitkering. Je verplaatste het gesprek naar donderdag. Je voelde je opgetogen.

Als je naar de wc bent geweest en weer terugkomt op je plek zie je dat de conciërge de rekken weer in een L heeft gezet. Je schudt je hoofd. Je leunt met je rug tegen de muur. Je steekt je handen in je zakken.

Op donderdag was je anderhalf uur te vroeg voor het gesprek. Je wachtte geduldig. Je had je beste pak aan getrokken. Toen je binnen werd geroepen, zei de man achter het bureau dat je kon blijven staan. Dat de baan al was vergeven. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt, zei de man. We hadden je graag op dinsdag zien komen. Je moet het wel echt willen.

Je had de deur achter je dicht willen slaan, maar dat durfde je niet. De zijden das die nog van je vader was geweest gooide je op het station in de prullenbak.

Het werk voor vandaag zit erop. Hoewel het te koud is, doe je de jas uit en stopt hem onder je arm. Je gaat naar het café. De barman heet Willem. Je groet hem, je gaat op de kruk zitten, je bestelt een jonge jenever. Hollandse wodka, noem je dat. Je denkt: Hollandse wodka, kijk mij nou integreren. Je lacht in de spiegel achter de bar. Je bestelt er die middag nog tien.