Waarom ik een fatsoensayatollah ben

Het is u misschien niet ontgaan: ik schreef vorige week een veelgelezen stukje. Over Freek en Yernaz, en over hoe treurig ik het vind dat we, mede ‘dankzij’ de sociale media, in een tijd leven waarin roeptoeteren het geliefkoosde tijdverdrijf is geworden van mensen die klaarblijkelijk zo misnoegd zijn over hun leven dat alleen schreeuwen nog voor voldoende zuurstof in hun longen zorgt.

In mijn verdediging van Freek de Jonge nam ik vooral de handschoen op voor meer fatsoen, de eigenschap die roeptoeteraars hopeloos ouderwets vinden, en dus richtten zij ook hun 2.0-azijnzuurpijlen op mij.

Zo liet een jongedame, net als Yernaz Ramataursing student, me in minder dan 140 tekens weten dat ik een ‘fatsoensayatollah’ ben. Op haar profiel omschreef ze zichzelf als ‘Most likely to be Miss Extreme’, en als foto zag ik een afbeelding van het Coca Cola-logo, waarbij echter niet ‘Enjoy Coke’ stond, maar ‘Enjoy Capitalism’. Blijkbaar moet de studente na enige research hebben vastgesteld dat ik een paar jaar geleden een boek over Iran heb geschreven, en dus zal ze het uitermate slim hebben gevonden om mij ‘ayatollah’ te noemen. Haar reactie getuigt echter van een armzalige intellectuele armoede: ik heb in Iran met lede ogen de gevolgen van het bewind van de ayatollahs kunnen vaststellen, en ervaar het als een belediging voor alle Iraniërs die daaronder lijden dat nota bene een studente rechten het woord ‘ayatollah’ aanwendt om iemand uit te schelden die in rustige bewoordingen voor meer fatsoen heeft gepleit.

Maar kijk, welaan dan, ik wil gerust een fatsoensayatollah zijn als daarmee wordt bedoeld:

– dat ik verbaasd ben dat mensen op sociale media en fora hun mening over van alles en nog wat spuien, en dat doen met een systematische slordigheid die niet alleen blijk geeft van een totale onkunde van de Nederlandse taal, maar ook van een chronisch gebrek aan respect en nuance.

– dat ik zou kunnen huilen van ellende wanneer ik, zoals gisteren, voorzichtig door de dichte mist reed die ’s ochtends over West-Vlaanderen viel, en daarbij meteen een toeterende 4×4 aan mijn bumper ging kleven, hoewel de chauffeur op zijn radio vast ook had gehoord wat ik net had vernomen: dat de mist dertig kilometer verder een kettingbotsing had veroorzaakt waarbij meer dan honderd voertuigen betrokken waren en zelfs een dode viel.

– dat ik het op prijs stel dat mensen die elkaar nog nooit ontmoet hebben de ander niet meteen met ‘je’ aanspreken.

– dat ik denk dat ik in het verkeerde tijdvak ben geboren wanneer ik jongeren op straat niet langer een stap opzij zie zetten voor een bejaarde die zich met een wandelstok een weg over het voetpad probeert te banen.

– dat ik het voorwaar een goede zaak zou vinden wanneer er een hedendaagse variant op het programma Hier spreekt men Nederlands zou komen, want niet alleen heeft vandaag de grootste bek het hoogste woord, maar wordt daarbij ook weinig moeite gedaan om Algemeen Nederlands te praten, en wie het dialect van de spreker moeilijk kan verstaan, moet niet zeuren, maar zijn toevlucht nemen tot ondertitels.

Ja, als men dat bedoelt met fatsoensayatollah, wil ik het verwijt als een compliment in ontvangst nemen.

Ik wens U, geachte lezer, nu een fatsoenlijk verder verloop van de dag, en neem tot slot mijn fatsoenlijke toevlucht tot de fatsoenlijke cabaretier Toon Hermans, en deel U mijn verwondering mee dat ik, prille dertiger, mezelf nu al kan vinden in zijn woorden. Ook ik vraag me af waar dat dorp in godsnaam is gebleven, maar ik zal het blijven verdedigen, zelfs als men mij daardoor een jonge ouwe zeur vindt:

Dag, dorp van mijn hart
Dag, dorp uit mijn jeugd
Met je dorpse fatsoen
Dag dorp
Dag, dorp van mijn hart
Zo ver, zo ver