Autisme in het management van bejaardenzorg viert hoogtij

Dit wordt een tamelijk persoonlijk verhaal. Het onderzoek eronder beperkt zich tot twee personen. N=2, in vaktermen. Toch deel ik het met u, want ik denk dat in dit geval N=2 beslist toereikend is.

Mijn vrouw en ik hebben ieder nog één ouder over. De een loopt tegen de tachtig en is in sterk toenemende mate haar geheugen kwijt. De ander is ruim in de negentig, een beetje vergeetachtig in een mate die door een computer, smartphone of tablet goed verholpen zou kunnen worden, maar daar begint hij op die leeftijd niet meer aan. Voor het overige is hij helder van geest en lichamelijk nog best in orde. Hij vocht zich de afgelopen twee jaar zonder fysiotherapie zelf terug uit de rolstoel, en vervolgens van de rollator naar de wandelstok.

Beiden zitten inmiddels in een verzorgingstehuis, de een in de regio Leiden, de ander in de regio Den Haag. De beide tehuizen hebben niks met elkaar te maken, ze vallen onder verschillende zorginstellingen.

De beide ouders zijn de laatste weken in rep en roer, om niet te zeggen in paniek. Ze zijn heel verdrietig. Door het management – ik moet het zo wel noemen – van hun beide instellingen werden weken geleden brieven verstuurd. Brieven waarin bijeenkomsten voor de bewoners en hun familie werden aangekondigd. Bijeenkomsten over de toekomst van hun huizen. Punt. Voor het overige bevatten die brieven nauwelijks informatie.

Ouderen op die leeftijd hebben weinig aan hun hoofd, vinden wij al snel, maar daardoor dus des te meer. Alles is groot. Bovengenoemde twee hebben ieder hun huis-sinds-tientallen-jaren moeten verlaten, terwijl ze daar zelf de noodzaak niet van inzagen. Die noodzaak was er wel – ze konden niet goed meer zelfstandig wonen – en dus hebben de kinderen voor hen besloten. Ze hebben daar nog steeds verdriet van.

Intussen tobben ze ook over andere dingen, eigenlijk over alles. En dan komt er zo’n brief. In het geval van mijn schoonmoeder is de bijeenkomst inmiddels achter de rug. Het huis wordt gesloten. De kamer waarin ze zich nu, na een jaar, nog elke ochtend als ze wakker wordt afvraagt waar ze is, is er binnenkort niet meer. Wat dan wel? Geen idee. Daar wordt aan gewerkt, ze hoort er nog van.

Voor mijn vader is de bijeenkomst morgen, dinsdag. In de brief, nu al weken in zijn bezit, staat dat er wordt gesproken over de ‘revitalisatie’ van het tehuis waar hij woont. Hij en zijn medebewoners hebben geen idee wat dat betekent, en ook voor de kinderen is nergens aanvullende informatie beschikbaar. Maar mijn vader, helder van geest, leest wel de krant en vormt daar zijn eigen beelden bij. Hij weet dat ‘die minister’ zwaar wil bezuinigen. Hij denkt dat revitalisatie betekent dat hij straks in een ander tehuis, ver weg, wordt gestopt, waardoor het voor zijn kinderen een stuk moeilijker wordt om hem te bezoeken. Ik probeer hem de letterlijke betekenis van het woord bij te brengen, maar hij weet zeker dat ik me vergis – hem maak je niks wijs.

Inmiddels heb ik door mijn schoonmoeder en vader genoeg van die sector gezien om te weten dat er een nog veel zorgelijker ontwikkeling in de bejaardenzorg is: het autisme van het management van die instellingen. Dat veel te vroeg ingewikkelde, onduidelijke brieven in koddebeiersjargon aan de bewoners stuurt, hen daarna onnodig lang in onzekerheid en dus angst laat, en ook daarna de meeste relevante vragen onbeantwoord laat.

N=2, ik waarschuwde u al voor de wankele wetenschappelijke basis van dit stuk. Maar het speelt zich af twee grote steden in Nederland. De beide personen en instellingen hebben niets met elkaar te maken. Maar het patroon is identiek. Dat zal dus wel in heel Nederland zo gaan. Ten overvloede: ik heb het niet over het zorgpersoneel. Ik heb het over hun directies.