Gastcolumnisten over het Sportjaar 2013: Bas Heijne

Een jaar lang heb ik als sportcolumnist van deze website zes maal per week iets over sport te berde gebracht. Tijd om tussen Kerst en Oud & Nieuw het woord te geven aan enkele illustere collega’s, die hun inzichten over het Sportjaar 2013 op mijn verzoek met u delen.

Constructiviteit
Een column over sport is van wezenlijk belang omdat sport in staat is de bewegingen binnen een samenleving te spiegelen. Identificatie speelt daarbij vanzelfsprekend een doorslaggevende rol: niet voor niets tuigt iedere twee jaar een heel land tuinen en straten op in de nationale kleuren, stort een gehele natie zich in een waas van alcoholische vaderlandsliefde en beschouwt ieder doelpunt van het ene vet betaalde expatteam tegen het andere grootverdienende elftal als een bevestiging van de superieure eenheid van een volk dat de rest van het jaar debatterend over uiteenlopende onderwerpjes over straat rolt.

In een jaar zonder grote sportevenementen vallen bepaalde mechanismen nog duidelijker op: enerzijds de graagte waarmee men nieuwe helden omarmt, alsof de diep-menselijke wens om te vernieuwen en te veranderen zich op het sportveld nog meer manifesteert dan elders. Politici hebben een houdbaarheidsdatum van een paar jaar, maar de gemiddelde linksback wordt na een jaar weer vervangen door een nieuw, al dan niet verbeterd model.
De grondtoon van het sportdebat is verrassend genoeg die van constructiviteit. Men leert van eigen fouten, kijkt in geval van tegenslag veel makkelijker vooruit dan in andere bedrijfstakken en begrijpt tevens dat nederlagen in het heden onvermijdelijk zijn voor overwinningen in de toekomst – een visie waar bijvoorbeeld het bankwezen veel baat bij zou hebben gehad. Daarbij komt dat slecht presteren direct consequenties heeft: een trainer die een paar keer achtereen verliest, kan vertrekken; een zwemmer die een nanoseconde te vroeg het water in duikt, kan gaan douchen.

Nostalgieter
Sport is keihard. Tegelijk houden we allemaal van sport, op onze eigen manier.
Wat zegt dat eigenlijk over ons?
Een belangrijk aspect van de populariteit van sportmomenten is die onverklaarbare hang naar vroeger, die we ook tegenkomen in het gebruik van het Instagram-filter, de gezichtsbeharingmode onder jonge mannen en zelfs de laatste hits als van De Jeugd van Tegenwoordig, die een rechtstreekse ode aan de jaren tachtig zijn. Ik noem dit de ‘nostalgieter’ –we besprenkelen ons hypermoderne, bij-de-tijdse ik doelbewust met druppeltjes vroeger. We weigeren doellijntechnologie, we staan afwijzend tegenover medische begeleiding van wielrenners en als Barcelona shirtreclame aan de binnenkant van het shirt krijgt, lachen we ons een kriek. We willen vooruit, en tegelijk terug. De sport, de meest melancholische tijdsbesteding van allemaal, voorziet daarin. Sportbeleving, zowel passief als actief, kan bewerkstelligen wat het lezen van Couperus of Dostojevski ook kan: het leert ons onszelf beter kennen en verkent met ons de duistere hoekjes van lichaam en geest.

Zelfgenoegzaamheid anno hodie
Het is daarom ook zinloos om te spreken van een enkel ‘Sportmoment van het Jaar’; het is de sport als geheel die ons bedwelmt en ons eventjes laat terugkeren naar vroeger. De momenteel heersende cultuur is die waarin sport alleen op een postmodern-ironische manier serieus genomen kan worden. De gevolgen van sportgebeurtenissen beperken zich tot de microkosmos van de sport, de sportpagina’s, de sportprogramma’s en eenieder die zich in die wereld waagt. Het is een wereld van kunstmatigheid, een andere planeet vol opgewonden aliens tegenover wie wij ons zonder al te veel moeite superieur kunnen wanen. Die zelfgenoegzaamheid is kenmerkend voor het huidige tijdgewricht, en daarmee is niet alleen sport een spiegel voor de samenleving, maar de reactie op sport van die samenleving is dat ook. Ik zou dit willen omschrijven als een deconstructivistische vorm van intellectueel-correct denken. Sport is niet alleen een zeer wezenlijk onderdeel van de wereld zoals wij die nu kennen, maar reflecteert bovendien op die wereld door een minimaatschappij te creëren waarin wij, als wij dat zouden willen, onszelf kunnen ontwaren. De kans bestaat is dat die sportspiegel ons toont wie wij werkelijk zijn: een in wezen uiterst serieus volk dat individuele prestaties en persoonlijk geluk als een noodzakelijke opeenvolging is gaan beschouwen. Een volk dat vooruit wil, en terug, en dat tegelijk.

Een volk dat daardoor vooral in cirkeltjes ronddraait, als een perpetuum mobile, en altijd terugkeert waar het niet zo lang daarvoor begon.